direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schagerbrug - Belkmerweg 149-151
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Belkmerweg 151 te Schagenbrug ligt het perceel van een voormalig bloembollenteeltbedrijf. De bedrijfsvoering is door het gebruik van innovatieve technieken verschoven naar een agrarisch loonbedrijf en in 2009 is de achterliggende grond, inclusief de grond met hierop de schuur, die in gebruik is voor het loonwerkbedrijf, aan het hoogheemraadschap verkocht voor een natuurlijke inrichting van waterberging. Aansluitend aan het bedrijfsperceel staat een woning, waarbij eveneens de mogelijkheid bestaat om een agrarisch bedrijf te ontwikkelen. Met de verkoop van het achterliggende land ten behoeve van waterberging en de ligging aan het Noordhollandsch Kanaal, een infrastructureel knooppunt en een grote transportleiding voor water, ligt het niet in de rede dat zich op de locatie weer een agrarisch vollegrondsbedrijf gaat vestigen.

Inmiddels heeft het hoogheemraadschap de grond met hierop de schuur weer terug verkocht aan het bedrijf. Het hoogheemraadschap is samen met de eigenaren van het bedrijf en de woningen in overleg gegaan met de gemeente over de mogelijkheden voor de gronden. Hieruit is voortgekomen dat gekeken kan worden naar het omzetten van het bouwvlak op nummer 151 naar de bestemming bedrijf en het omzetten van het bouwvlak van nummer 149 naar agrarisch productiegebied en wonen. Van belang is dat een toekomstbestendige situatie ontstaat. Hierbij wil men het perceel breder in kunnen zetten bijvoorbeeld ten behoeve van een agrarisch handels-en hulpbedrijf. Om dit mogelijk te maken, moet een bedrijfsbestemming op het perceel gelegd worden. Dit bestemmingsplan biedt hiervoor een juridisch-planologisch kader.

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de bouwvlakken zoals die opgenomen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe, van de percelen Belkmerweg 149 en 151. De ligging van het plangebied is op een luchtfoto weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0001.png"

Figuur 1.1 De ligging van het plangebied

1.2 Geldende bestemmingsplan

Het plangebied is planologisch geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe, dat op 18 juni 2016 is vastgesteld. Het heeft hierin de bestemming 'Agrarisch'. De bouwpercelen voor de bedrijven zijn voorzien van een bouwvlak. Binnen deze aanduiding kunnen bedrijfsgebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf worden gebouwd. De woningen zijn aangeduid als 'plattelandwoningen', wat inhoudt dat deze zonder belemmeringen voor het agrarisch bedrijf als burgerwoningen gebruikt kunnen worden.

Verder zijn op het gebied enkele aanvullende regelingen van toepassing. Op de gronden rondom de bouwpercelen ligt de aanduiding 'waterberging', waarbinnen het hoogheemraadschap aanvullende waterberging kan realiseren. Ook is het gebied aangeduid als bollenconcentratiegebied. Op het noordelijk deel geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' en op het zuidelijk deel 'Waarde - Archeologie 4', waarbinnen verschillende beschermingsregimes voor archeologische verwachtingswaarden zijn geregeld. In figuur 1.2 is een fragment van de verbeelding opgenomen, met daarin het plangebied aangeduid met een rode lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Fragment geldend bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied

Het gebruik van het bedrijfsperceel als loonbedrijf (of breder: als landelijk bedrijf) is niet opgenomen in de agrarische bestemming. Daarvoor moet de bestemming worden gewijzigd naar een bedrijfsbestemming. Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling daarvoor. Hierbij krijgt de naastgelegen woning een woonbestemming en worden de bouwmogelijkheden op de gronden buiten de ontwikkelde percelen weggenomen.

1.3 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een toelichting gegeven op de bestaande en de gewenste situatie. De gewenste situatie is immers het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan. De ontwikkeling wordt getoetst aan het geldende beleid in hoofdstuk 3. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijke uitgangspunten vanuit het beleid voor dit plan. In hoofdstuk 4 vindt toetsing plaats aan de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op het juridische deel van het bestemmingsplan; de regels en ruimtelijke verbeelding. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Ruimtelijk-functionele structuur

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt het grootschalige aandijkingenlandschap van de Zijpe Polder. Het gebied kenmerkt zich door een regelmatige landschappelijke hoofdstructuur die sinds de middeleeuwen vrijwel ongewijzigd is gebleven. De Belkmerweg, waaraan het plangebied is gelegen, is één van de structuurlijnen van in het gebied. Ten oosten van het plangebied ligt het Noordhollandsch Kanaal, met aan weerzijden de Rijksweg N9 en de Anna Paulownaweg (N249) die de regelmatige opbouw van het gebied doorbreken. Ten zuiden van het plangebied ligt een verkeersknooppunt waar zowel de voorgenoemde wegen als twee waterwegen (Noordhollandsch Kanaal en Kanaal Stolpen-Schagen) bij elkaar komen.

Het ruimtelijk beeld wordt bepaald door het agrarische grondgebruik van de polder, met in het westen hoofdzakelijk bollenteelt en in het oosten vooral graslanden. Het plangebied ligt in het bollenconcentratiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0003.png"

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied en omgeving

2.2 Huidige situatie plangebied

Het plangebied bestaat uit twee feitelijk losse percelen, die samen een ruimtelijke eenheid vormen. Aan de zuidzijde liggen de woonpercelen (Belkmerweg 149 en 151). Beide woningen zijn voormalige agrarische bedrijfswoningen die nu als plattelandswoningen zijn aangemerkt. Dit betekent dat hier een huishouden kan wonen dat niet bij het agrarisch bedrijf betrokken is, terwijl de woning milieutechnisch geen belemmering vormt voor het bedrijf waarbij de woning hoorde.

Op de noordoostzijde van het perceel Belkmerweg 151 staat een landbouwschuur van ongeveer 1.200 m2. Deze schuur is gebouwd ten behoeve van de bollenteelt, maar wordt nu gebruikt door een agrarisch loonwerkbedrijf. De woning op nummer 151 vormt de bedrijfswoning bij dit bedrijf.

De bebouwing staat vrij open in het landschap. Verspreid op de percelen is enige erfbeplanting aanwezig, die de ruimtelijke begrenzing van erf markeren. Rondom de twee percelen ligt een brede watergang. Op beide percelen ligt in het geldende bestemmingsplan een bouwvlak van 100 bij 100 meter, voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven. Deze bouwvlakken overstijgen de huidige ruimtelijke inrichting. De achterliggende percelen zijn in het bezit van het hoogheemraadschap en zijn tevens in gebruik als waterbergingsgebied.

Een aanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0004.png"

Figuur 2.2 Aanzicht op het plangebied

2.3 Gewenste situatie

De initiatiefnemer wil het bedrijf verder uitbouwen tot een 'landelijk bedrijf', waarbij naast het loonwerkbedrijf ook ruimte is voor bewerking, verwerking, distributie en opslag van agrarische producten. Hiermee ontstaat de mogelijkheid voor een duurzame en toekomstbestendige bedrijfsvoering (lees: een hedendaags loonbedrijf). Deze bedrijfsvoering vindt in principe plaats binnen de bestaande gebouwen. Er zijn geen concrete plannen voor uitbreiding van de bebouwing. Wel wordt er, gelet op de toekomstbestendigheid, binnen het bestaande feitelijke bedrijfsperceel enige ruimte geboden voor uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. Voorwaarden hierbij zijn dat de noodzaak ten behoeve van het landelijk bedrijf wordt aangetoond en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

De woning op nummer 151 vormt de bedrijfswoning bij het bedrijf en de woning op nummer 149 wordt bestemd als burgerwoning. De agrarische bouwvlakken (twee keer één hectare) vervallen hiermee.

2.4 Ruimtelijke kwaliteitseis

Het bedrijf van de initiatiefnemer is een groeiend bedrijf dat voor de opslag van groot materieel en potentieel voor agrarische producten ruimte nodig heeft. Binnen de provinciale beleidslijnen is ruimte voor het vestigen van bedrijven in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Er wordt in eerste instantie uitgegaan van lichte vormen van bedrijvigheid (categorie 1 en 2), die niet is gericht op productie. Deze moet dan ook geheel binnen de bestaande bedrijfsgebouwen en binnen de agrarische bedrijfskavel plaatsvinden. Ook wordt niet voorzien in buitenopslag van niet-agrarische bedrijven. Voor agrarisch aanverwante bedrijven, zoals het onderhavige bedrijf, is meer ruimte voor ontwikkeling, omdat deze bedrijven gelieerd zijn aan het landelijk gebied en qua uitstraling veel overeenkomsten hebben met agrarisch bedrijven.

Ruimtelijk gezien heeft de gewenste uitbreiding geen grote impact op de omgeving, aangezien het bedrijf nog in hoofdzaak dezelfde uitstraling heeft dan wanneer het in gebruik was als bloembollenbedrijf. Wel is op dit plan de ruimtelijke kwaliteitseis van toepassing (zie paragraaf 3.2). Dit houdt in dat een verantwoording wordt gegeven van de mate waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsgeschiedenis en de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken ter plaatse, de inpassing van de ontwikkeling in de wijdere omgeving en de kernkwaliteiten van het gebied.

Nut en noodzaak

Met de verkoop van het achterliggende land ten behoeve van waterberging en de ligging aan het Noordhollandsch Kanaal, een infrastructureel knooppunt en een grote transportleiding voor water, ligt het niet in de rede dat op de locatie weer een agrarisch vollegrondsbedrijf zal vestigen. Er is een 'natuurlijke' verschuiving naar loonwerk ontstaan. De locatie ligt in het bollenconcentratiegebied, met daarin vele klanten voor het bedrijf. Van belang is dat een toekomstbestendige situatie ontstaat. Hierbij is vanuit een toekomstbestendige bedrijfsvoering breder ingezet dan alleen op loonwerk.

verkeer

Met dit plan wordt in eerste instantie een functiewijziging van een akkerbouw-/bloembollenbedrijf naar een aan de landbouw gelieerde functie mogelijk gemaakt. Deze twee soorten van bedrijfsactiviteiten hebben een vergelijkbare verkeersgeneratie. De bestaande inrit van het bedrijfsperceel blijft behouden. Daarmee wordt aangesloten op de Belkermerweg. De Belkmerweg is een ontsluitingsweg bedoelt voor bestemmingsverkeer. De Belkermerweg wordt ontsloten op een Parallelweg langs de N9. Deze twee 60 km/uur-wegen hebben voldoende capaciteit voor de nieuwe functie van het perceel. Aan deze wegen worden geen aanpassingen voorgesteld. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Respecteren landschappelijke waarden

De ontwikkeling vindt plaats in een landbouwgebied en binnen de inrichting van het voormalige agrarisch bedrijf. Voor het gebied gelden geen specifieke landschappelijke of aardkundige waarden, anders dan de kenmerkende hoofdstructuur van de Zijpe Polder, bestaande uit de evenwijdig lopende wegen (waaronder de Belkmerweg) en watergangen. Het rechthoekige ontginningspatroon van de polder wordt bepaald door de Grote Sloot die excentrisch van noord naar zuid door het Zijper Bekken loopt en op afstand de knik in de Westfriese Omringdijk volgt. Parallel hieraan lopen diverse wegen en sloten. Ook de grootschalige openheid is een kwaliteit van deze polder.

Dit bestemmingsplan maakt in de eerste plaats een functiewijziging mogelijk van een akkerbouw-/bloembollenbedrijf naar een aan de landbouw gelieerde functie, die een vergelijkbare uitstraling heeft. Er wordt namelijk gebruik gemaakt van de bestaande of vergelijkbare gebouwen, vergelijkbaar materieel en ook de tijdelijke buitenopslag heeft een agrarisch karakter.

Binnen het plangebied worden geen gebouwen gebouwd dit mogelijk afbreuk aan het landschap doen. Bovendien worden alle bouwmogelijkheden geconcentreerd op het bestaande ruimtelijk begrensde erf. De bouwmogelijkheden hierbuiten worden weggenomen, hetgeen gunstig is voor de openheid van het gebied. Gezien het karakter van de omgeving en de aard van het plan wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de aanwezige landschappelijke waarden.

Ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap

Het plangebied ligt in het aandijkingenlandschap van een historische polder. De Zijpe- en Hazepolder is al in de 16e eeuw drooggelegd door middel van bedijkingen. Op oud kaartmateriaal van het begin van de 19e eeuw is de huidige landschappelijke structuur en verkaveling duidelijk herkenbaar. Een fragment van de topografische kaart uit 1850 is weergegeven in figuur 2.3. Hierin is het, destijds onlangs gegraven, Noordhollandsch Kanaal opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0005.png"

Figuur 2.3 Fragment topografische kaart ca. 1850

In de 100 jaren na 1850 verandert er vrijwel niets in het gebied. Dan wordt de jaren '50 van de vorige eeuw het Kanaal Stolpen-Schagen gegraven, die even te zuiden van het plangebied aansluit op het Noordhollandsch Kanaal. Langs dit nieuwe kanaal wordt ook een nieuwe provinciale weg aangelegd. Een fragment van de topografische kaart van omstreeks 1960 is weergegeven in figuur 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0006.png"

Figuur 2.4 Fragment topografische kaart ca. 1960

Het plangebied is tot de jaren '80 van de vorige eeuw nog vrij van bebouwing. In deze deze periode wordt de woning op nummer 151 en de grote landbouwschuur gebouwd. Het betreft een periode waarin meer verdichting van de linten zichtbaar is. Ook ontstaat door modernisering van de landbouw een meer grootschalige verkaveling. Desondanks blijft het landschap zoals dat 200 jaar geleden op kaartmateriaal is weergeven nog goed herkenbaar. Een fragment van de topografische kaart van midden jaren '80 van de vorige eeuw is weergegeven in figuur 2.5 Sinds de jaren '80 is het landschap, vooral rondom de kernen, verder verdicht. De tweede bedrijfswoning binnen het plangebied is er in de jaren '90 bij gebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPBGZBelkmer149151-ON01_0007.png"

Figuur 2.5 Fragment topgrafische kaart ca. 1985

Het nu aanwezige landschap kan op basis van het voorgaande gekarakteriseerd worden als een oud agrarisch cultuurlandschap, waarin de oorspronkelijke structuren nog duidelijk zichtbaar zijn. Het is van oudsher een open landschap, waarin bebouwing en opgaande beplanting is geconcentreerd langs de linten en in kernen. Verdichting heeft vooral plaatsgevonden binnen deze linten en kernen.

In relatie tot dit bestemmingsplan is relevant dat het plangebied in een lint ligt waar al sprake is van enige verdichting. Het plan stelt geen nieuwbouw voor en maakt dit buiten het bestaande bedrijfserf ook niet mogelijk. De historische gegroeide landschapsstructuur blijft zodoende ongewijzigd.

De ordeningsprincipes van het landschap

Dit bestemmingsplan maakt een perceelsgebonden functiewijziging mogelijk die geen invloed heeft op de ordeningsprincipes van het landschap.

Bebouwingkarakteristieken

De bebouwing in het lint is overwegend te karakteriseren als relatief kleinschalige agrarische bebouwing, waarbij de kleinste korrels (woningen en kleine schuren) aan de wegzijde liggen en hier achter de wat grotere stallen en loodsen. Dit geldt ook voor het plangebied. Aangezien er gebruik wordt gemaakt van de bestaande bebouwing, doet dit plan geen afbreuk aan de beschreven karakteristieken. In geval van uitbreiding van de gebouwen geldt een goede afstemming op het bestaande bebouwingsbeeld als voorwaarde.

Inpassing in wijdere omgeving

Het bedrijfsperceel ligt relatief solitair in het open landschap. Bedrijfserven liggen in het gebied relatief open in het landschap. Erfbeplanting is vooral aan de voorzijde van de erven en rondom oorspronkelijke boerderijen aanwezig. Het onderhavige perceel is ook zo ingepast. Rondom de woningen staat enige afschermende beplanting teneinde beschutting en privacy te waarborgen. De rand van het perceel aan de zijde van de bedrijfsbebouwing is gemarkeerd met een bomenrij. Deze inpassing past goed in de principes van het grootschalige open gebied.

Omdat er op dit moment geen nieuwe bebouwing wordt voorgesteld, is het niet nodig om aanvullende maatregelen te nemen ten aanzien van de landschappelijke inpassing. Wanneer nieuwbouw plaatsvindt, geldt als voorwaarde dat dit opnieuw wordt beoordeeld. Gelet op de kenmerken van de omgeving verdient het de aanbeveling om het bedrijfsperceel niet in te sluiten in beplanting. Enige beplanting of andere afscherming langs de zijdelingse grenzen is wel passend in het landschap.

Bestaande kernkwaliteiten van het gebied

In de omgeving van het plangebied kan de Belkmerweg, als onderdeel van een historische structuurlijn, en de openheid van het landschap als kernkwaliteiten worden aangewezen, zoals genoemd in de lijst kernkwaliteiten van het landschap. Aangezien er geen verdichting plaatsvindt, wordt geen afbreuk gedaan aan de openheid. Ook voor de waarde van de historische structuurlijn verandert niets. Het behoud van de kernkwaliteiten van het gebied is met dit plan niet in het geding.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk komen enkele beleidsstukken aan bod die een directe doorwerking kunnen hebben op dit bestemmingsplan. Daarbij wordt alleen ingegaan op rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld op het vlak van bouwmogelijkheden bij de woningen en mogelijkheden voor functies en functiemenging.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Een algemeen belang in de SVIR is het proces van duurzame verstedelijking. Hiervoor is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze houdt in het kort in dat in geval van nieuwe verstedelijking eerst gekeken moet worden beoordeeld of hier regionale behoefte voor is en vervolgens of deze behoefte binnen stedelijk gebied opgevangen kan worden. Indien dit niet mogelijk is, moet een locatie worden gezocht die passend multimodaal ontsloten is.

In dit geval is er geen sprake van nieuwe verstedelijking. Dit bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het permanent vestigen van een bedrijf op een bestaand bedrijfsperceel. Het ruimtebeslag in het landelijk gebied en ook de bouwmogelijkheden nemen hierbij niet toe. Met de herontwikkeling van een bestaande bedrijfslocatie is overigens sprake van duurzame verstedelijking.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt niet alleen regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Er worden geen rijksbelangen geraakt.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie en Provinciale Verordening

Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (laatste wijziging is vastgesteld in 2015). In de structuurvisie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De Provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik'.

Het perceel valt in het gebied dat in de Provinciale Structuurvisie is aangeduid als gebied voor Grootschalige Landbouw. In de zone voor grootschalige landbouw is ruimte voor onder andere schaalvergroting voor agrarische bedrijven. Voor dit bestemmingsplan betekent dit dat het landschap draagvlak heeft voor meer grootschalige functies.

Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren, heeft de Provincie provinciale belangen benoemd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. De provincie wil steden optimaal benutten, landschappen open houden en ruimte bieden aan economie en woningbouw.

Provinciale Ruimtelijke Verordening

Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren heeft de provincie provinciale belangen benoemd. De drie hoofdbelangen (klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De hoofdbelangen zijn in de Structuurvisie uitgewerkt. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) (eveneens vastgesteld door provinciale staten op 21 juni 2010, daarna zijn verschillende aanpassingen geweest, waarvan de laatste op 1 maart 2017).

Voormalige agrarische bouwpercelen

De PRV biedt mogelijkheden voor wijziging van een agrarisch bouwperceel bij beëindiging van het agrarisch bedrijf (artikel 17). De nieuwe bestemming mag de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omliggende woningen niet beperken. In dat geval is geen sprake van verstedelijking, maar van een functiewijziging.

Artikel 17A stelt dat een bestemmingsplan mogelijkheden kan bieden voor een fysiek bestaand agrarisch aanverwant bedrijf. Er is hierbij ook enige uitbreiding mogelijk. Het bestemmingsplan mag in een grootschalig landbouwgebied, zoals het onderhavige gebied, een bouwperceel van maximaal 2 hectare voor een dergelijk bedrijf voorzien.

Een agrarische aanverwant bedrijg is een bedrijf in landelijk gebied dat hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden, en gebruik maakt van werktuigen, apparatuur of agrarisch loonwerk. In het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe zijn deze bedrijven aangeduid als 'landelijk bedrijf'. Het gaat in dit artikel niet om nieuwvestiging, maar om verplaatsing of uitbreiding van bestaande, fysiek reeds aanwezige, bedrijven. Het onderhavige bedrijf is planologisch een nieuw, maar fysiek een bestaand bedrijf in het landelijk gebied en valt zodoende onder deze regeling.

Voor verplaatsing van een dergelijk bedrijf van elders naar een agrarisch bouwperceel geldt aanvullend dat beoordeeld moet worden of er een reëel alternatief op een regionaal bedrijventerrein is, dat past binnen het vestigingsmilieu van het beschikbare terrein en niet leidt tot onaanvaardbare lange afstanden tot de agrarische klantenkring. Dergelijke afstanden kunnen door de grootte en zwaarte van de landbouwmachines immers leiden tot verkeersonveilige situaties. Bovendien hebben deze machines een beperkte actieradius. Er is weliswaar geen sprake van een verplaatsing, maar in planologisch opzicht wel van nieuwe mogelijkheden waarvoor in lijn met de verordening wel naar alternatieven gekeken moet worden. Een dergelijk alternatief is niet voorhanden. Op het enige bedrijventerrein in de nabijheid, bij de kern Schagerbrug, zijn geen kavels voorhanden. Bovendien ligt dit terrein door het kanaal afgeschermd van het werkgebied van het loonbedrijf. Ook zou een onwenselijke situatie ontstaan door landbouwverkeer op de provinciale wegen.

Het bedrijfsperceel heeft een oppervlakte van 0,8 hectare. Het perceel wordt niet uitgebreid, maar voor de bebouwing op het perceel worden wel beperkte uitbreidingsmogelijkheden geboden. Voorwaarden voor ontwikkeling van deze bedrijven zijn dat de de nut en noodzaak gemotiveerd wordt en permanente buitenopslag wordt verboden.

Verder is de ruimtelijke kwaliteitseis van toepassing.

Permanente buitenopslag: Buitenopslag voor niet-agrarische bedrijvigheid is niet toegestaan. Voor agrarisch aanverwante bedrijven is dit versoepeld tot het verbieden van permanente buitenopslag. Dit om verrommeling van het landschap te voorkomen. Tijdelijke buitenopslag zoals bij grondverzet (tijdelijke opslag van grond op het terrein waarna het wordt vervoerd naar de eindbestemming) is wel toegestaan. Hieronder kan ook het stallen van materieel of de overslag van landbouwproducten worden geschaard.

Ruimtelijke kwaliteitseis

Een toetsing aan de ruimtelijke kwaliteitseis (artikel 15 PRV) is nodig, wanneer meegewerkt wordt aan de wijziging. Dit houdt in dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen, aardkundige waarden en (dorps)structuur worden gerespecteerd. Verder wordt in de toelichting een verantwoording gegeven van de mate waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsgeschiedenis en de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken ter plaatse, de inpassing van de ontwikkeling in de wijdere omgeving en de eerder genoemde kernkwaliteiten van het gebied. De toetsing aan de ruimtelijke kwaliteitseis staat in paragraaf 2.4.

Weidevogelleefgebied

In de PRV zijn, naast bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied, meerdere bijzondere gebieden benoemd, zoals ecologisch waardevolle gebieden, nationale en metropolitane landschappen, landbouwgebieden, landbouwclusters, blauwe ruimte, duurzame energie en gebieden met bijzondere aardkundige waarden. Het plangebied en de directe omgeving is niet aangewezen als weidevogelleefgebied.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

Als gevolg van ontwikkelingen wordt de inrichting en het gebruik van het stedelijk en landelijk gebied voortdurend aangepast. Nieuwe elementen en structuren worden aan het landschap toegevoegd terwijl oude verdwijnen. Soms gaan deze ontwikkelingen ten koste van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, het 'gebiedseigene'.

De Provincie Noord-Holland wil ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en tegelijkertijd verantwoord omgaan met het verleden. De provincie wil de Noord-Hollandse landschappen optimaal gebruiken door hun kenmerkende kwaliteiten te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het basisuitgangspunt van het provinciale beleid is dan ook 'behoud door ontwikkeling'. Uitgangspunt hiervoor is de leidraad Landschap en Cultuurhistorie (vastgesteld op 21 juni 2010), waarin de visie op de ruimtelijke ontwikkeling is vastgelegd.

Het uitgangspunt van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is dat ontwikkelingen op basis van de kernkwaliteiten van de omgeving plaatsvinden. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen drie lagen: de ondergrond, het 'landschaps-DNA' en het 'dorps-DNA'. Bij de ondergrond gaat het om de aardkundige en archeologische waarden. Bij het landschaps-DNA zijn historische structuren en de maat en schaal van het landschap bepalend. Ook zijn de aardkundige waarden in de bodem onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Bij het dorps-DNA gaat het om de karakteristieken van de historische dorpsstructuur, de verkaveling, de typering, schaal en samenhang van de gebouwen en openbare ruimte. Gelet op de ligging in het landelijk gebied is alleen het landschaps-DNA voor dit plan relevant.

Volgens de Leidraad ligt het plangebied in het Aandijkingenlandschap. Er is geen sprake van aardkundige waarden of van archeologische waarden die van provinciaal belang zijn. Wel kent het gebied enkele historische structuurlijnen die de ruggengraat van het landschap vormen. Voor het plangebied is de hoofdstructuur van de Zijpe Polder als kernkwaliteit van belang. Het gaat om de structuur van evenwijdig aan het oude land lopende land en waterwegen met haaks daarop verbindingen tussen oud land en jonge duinen.

De Belkmerweg is één van de structuurlijnen. De volgende structuurlijn is de Middel Egalementsloot, die ten noorden van het plangebied ligt. Gemeenten dienen deze historische structuurlijnen bij planontwikkeling op lokale schaal in beeld te brengen en als vertrekpunt te nemen voor de inpassing daarvan. De historische structuurlijnen zijn op hun beurt weer de dragers van de cultuurhistorische objecten. Binnen of direct nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorische objecten van bovenlokaal belang aanwezig. Verder is de openheid van het landschap een karakteristieke waarde voor de verschillende landschapstypen. De omgeving van het plangebied heeft een open karakter.

Zoals beschreven in paragraaf 2.4 wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van de Zijpe Polder.

3.3 Gemeentelijk beleid

Lokale woonvisie 2014-2018 'een nieuwe gemeente, een nieuwe koers'

De gemeente Schagen heeft in 2014 een woonvisie vastgesteld. Met deze woonvisie zet de gemeente een nieuwe koers in te midden van een sterk veranderende omgeving. Nieuwe kansen bieden zich aan in de vorm van kleinschalige, innovatieve projecten op de beste locaties. De woningmarkt lijkt weer een beetje op te krabbelen na de crisis. Voor de gemeente Schagen zijn een aantal duidelijke trends zichtbaar. De belangrijkste zijn:

  • De groei van het aantal inwoners en huishoudens daalt (afnemende groeitrend);
  • Op de lange termijn slaat de afnemende groeitrend om in krimp (volgens provinciale prognose: na 2030);
  • Sterk veranderende huishoudenssamenstelling:
    • 1. toename van het aantal ouderen, mensen met een beperking en dementie (vergrijzing);
    • 2. meer kleine huishoudens en minder huishoudens met kinderen (individualisering en emancipatie);
  • In de gemeente is urbanisatie zichtbaar. Er vestigen zich meer inwoners in de stad Schagen dan er vertrekken. Zo is er vraag naar het wonen in de stad Schagen bij senioren vanwege het voorzieningenniveau.

Er wordt uitgegaan van vier thema's op basis waarvan invulling wordt gegeven aan deze trends:

  • 1. De eigen kracht van de inwoners;
  • 2. De kwaliteit van de kernen;
  • 3. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad;
  • 4. De beweging van meer naar beter als het gaat om het woningbouwprogramma.

Feitelijk wijzigt er niets aan de woonsituatie aan de Belkmerweg. Er wordt immers geen woning toegevoegd. Wel wordt een bestemmingswijziging van de plattelandswoning naar 'Wonen' mogelijk gemaakt. Hiermee wordt de woning als burgerwoning bestemd. Deze wijziging sluit aan bij de hierboven genoemde thema's. Er wordt uitgegaan van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. De woning is er al en is volledig afgestemd op de woonwensen van de huidige bewoner. Het aanbod voorziet daarmee in de lokale woningbehoefte.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Naast het feit dat de ontwikkelingen in het plangebied binnen het overheidsbeleid tot stand moet komen, moet ook rekening gehouden worden met de aanwezige functies in en rond het gebied. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In dit hoofdstuk zijn de randvoorwaarden, die voortvloeien uit de omgevingsaspecten, beschreven.

4.1 Bedrijven en milieuhinder

Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën.

Het plangebied ligt in een overwegend agrarisch lint in het landelijk gebied. Op basis van de VNG-brochure is dit aan te merken als een gemengd gebied, waarin kleinere afstanden tussen bedrijven en woningen aanvaardbaar zijn. Het loonbedrijf dat binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt valt in milieucategorie 3.1, waarbij in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt (in een rustige woonomgeving is dit 50 meter). Ook worden bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 in algemene zin mogelijk gemaakt. Hierbij hoort een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied en 30 meter in een rustige woonomgeving. De bedrijfswoning bij het bedrijf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. De woning aan de Belmerweg 149 is wel relevant. De dichtstbijzijnde woningen buiten het plangebied liggen op ruim 200 meter vanaf de beoogde bedrijfsbestemming.

Voor de woonbestemming dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, vanwege het geluid van het loonbedrijf. Hiertoe is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 1. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het gemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de streefwaarden uit de VNG-brochure. Voor piekgeluiden (maximale geluidsniveau) wordt de streefwaarde overschreden in de avond- en nachtperiode. Wel wordt hier voldaan aan de norm voor piekgeluiden. Op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten en de toekomstige geluidsnormen, zijn de piekniveaus daarom als aanvaardbaar te beschouwen.

Andersom moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden voor bedrijven in de omgeving, in dit geval een akkerbouwbedrijf aan de Belkmerweg 140. Dit bedrijf ligt op ongeveer 95 meter vanaf de woningen in het plangebied. Omdat het gaat om bestaande woningen wordt dit bedrijf niet belemmerd. Bovendien valt een akkerbouwbedrijf in milieucategorie 2, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.

Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een verantwoorde afstemming tussen bedrijven en woningen.

4.2 Geluid

Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn er geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig, dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde.

Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het is daarom niet nodig om de ontwikkeling te toetsen aan de geluidszones van de nabijgelegen wegen.

4.3 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.

In de omgeving van het plangebied zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat de omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit. Op basis van de NSL-monitoringstool van de rijksoverheid blijkt dat langs de Rijksweg N9 de gehalten aan NO2 en PM10 respectievelijk 12 en 16 µg/m3 bedragen. De norm voor deze stoffen ligt op 40 µg/m3.

Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het plan valt binnen de Nibm-regeling. Er is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, waarvan de verkeersgeneratie niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit aspect heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

4.4 Externe veiligheid

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaarleverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Op grond van de AMvB Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt daarom gekeken naar zogenaamde risicovolle inrichtingen. Daarnaast wordt gekeken naar vervoer van gevaarlijke stoffen en hoofdgasleidingen. Doel hiervan is om zowel individuele personen als groepen mensen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij risicovolle inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen worden de risico's gemeten in twee maten: plaatsgebonden risico (voor individuen) en groepsrisico (voor groepen mensen).

Nabij het plangebied is zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die invloed kunnen hebben op het plangebied. Wel vindt op de Rijksweg N9 in beperkte mate het vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Vanwege de beperkte hoeveelheid vervoer is er geen sprake van een plaatsgebonden risico. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van 200 meter, waarbinnen het groepsrisico moet worden verantwoord. Gelet op de lage frequentie van het vervoer en het feit dat er geen toename in het aantal personen in zowel de dag als de nacht periode aan de orde is, volstaat een beknopte verantwoording.

Op basis van het Bevt kan in voorkomende gevallen de berekening van het groepsrisico achterwege blijven. Hiervoor zijn in de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld. Deze geven de gebruiker een indicatie wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van grenswaarde of richtwaarde voor het plaatsgebonden risico dan wel of een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0.1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden. Deze waarde geeft een indicatie dat zeker een groepsrisicoberekening moet worden uitgevoerd.

Ter plaatse van het projectgebied is langs de N9 sprake van zeer extensieve, eenzijdige bebouwing. Voor de personendichtheid kan rondom het plangebied worden uitgegaan van maximaal 10 personen per hectare (circa 2 woningen per hectare, 2,5 personen per woning). De afstand van het plangebied tot de weg bedraagt circa 100 meter. In dit geval geldt dat de drempelwaarde op meer dan twee maal het maximaal waargenomen aantal vervoerseenheden per jaar ligt. Op basis van de vuistregels is er dus geen sprake van een overschrijding van de oriënterende waarde. De frequentie van dit vervoer is dermate laag dat de risico's verwaarloosbaar zijn. Bovendien gaat er met het plan geen relevante toename van de personendichtheid gepaard, waardoor het geen invloed heeft op het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan daarom geen belemmeringen voor het plan.

4.5 Bodemkwaliteit

Bij het aspect 'bodemkwaliteit' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd.

Het plangebied was in gebruik door een agrarisch bedrijf. Het is niet geheel uitgesloten dat als gevolg hiervan plaatselijke verontreiniging in de bodem zijn ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van een lekkende brandstoftank of voertuig. Omdat er geen bouwactiviteiten zijn voorzien of nieuwe verblijfsruimten voor mensen worden gecreëerd, heeft dit geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Gelet op het voormalige en huidige/toekomstige gebruik zijn er ook geen risico's voor de volksgezondheid aan de orde. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

4.6 Waterhuishouding

Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.

Digitale watertoets

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het hoogheemraadschap. Op het plan is de korte watertoetsprocedure van toepassing. De invloed van het plan op de waterhuishouding is beperkt. Volstaan wordt met het opnemen van een standaard wateradvies. Dit wateradvies is opgenomen in Bijlage 2. De voor het plan relevante aspecten zijn hierna beschreven.

Waterprogramma 2016 - 2021 en Keur 2016

Het Waterprogramma 2016 - 2021 van novemeber 2015 is bepalend voor het waterbeleid binnen het beheersgebied van het HHNK. Dit plan beschrijft het waterbeheer op gebied van waterveiligheid, wateroverlast, watertekorten en schoon- en gezond water. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.

Waterkering

Langs het Noordhollandsch Kanaal ligt een waterkering die de polder beschermd tegen de mogelijk hoge waterstanden van de boezem. Het plangebied ligt buiten de beschermingszone van deze waterkering. Dit aspect vormt daarom geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Waterkwantiteit

Het plangebied ligt niet nabij belangrijke watergang. Ook worden er geen ingrepen in watergangen verricht. Er wordt ten opzichte van de huidige situatie in principe geen van toename van verharding voorgesteld. In ieder geval is van een significante (meer dan 800 m2) toename geen sprake. Daarom hoeven op basis van de Keur geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden.

Waterkwaliteit

Afvalwater vanuit het plangebied wordt afgevoerd op de bestaande voorzieningen. Er is geen sprake van een toename van afvalwater als gevolg van de functiewijziging. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en afgevoerd naar omliggende watergangen. Dit komt overeen met dep basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Hemelwater afkomstig van de verhardingen kan als schoon worden beschouwd en kan worden afgevoerd op de watergang langs het plangebied. Voor eventueel verontreinigd hemelwater gelden de normen uit het Activiteitenbesluit.

Het HHNK adviseert met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Van het gebruik van deze materialen is geen sprake.

Vervolg

Waterwet

Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet tijdig een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet.

Procedure

Bij de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met de in het wateradvies opgenomen uitgangspunten. De watertoetsprocedure is hiermee afgerond.

4.7 Ecologische waarden

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet Natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Deze waren voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet, maar zijn nu beide opgenomen in de Wet Natuurbescherming.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Ook maakt het plangebied geen deel uit van de EHS/NNN. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied betreft het Zwanenwater & Pettemerduinen, dat op ongeveer twee kilometer ten westen van het plangebied ligt. Gelet op het huidige en voormalige gebruik van het plangebied, de aard omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden kunnen directe effecten, zoals verstoring of verontreiniging, op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

Aangezien het gaat om de voortzetting van een bestaand bedrijf, dat is gevestigd op een locatie die is bestemd voor agrarische bedrijvigheid zijn significante gevolgen voor beschermde natuurwaarden als gevolg van een toename in stikstofdepositie ook uitgesloten.

Soortenbescherming

Het bedrijfsperceel wordt al intensief gebruikt en is zodoende aan te merken als een verstoord gebied. De groenelementen in en rondom het plangebied worden gehandhaafd. Eventuele aanwezig soorten hierin worden door de functiewijziging niet verstoord. De ontwikkeling heeft geen potentiële effecten op (verblijfplaatsen van) beschermde soorten.

Conclusie

Het bestemmingsplan is daarom uitvoerbaar in het kader van de Natuurbeschermingswet.

4.8 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

De gemeente acht dit (op grond van wet- en regelgeving) wenselijk en noodzakelijk om de verschillende archeologische waarden te beschermen en te behouden. Voor een inzicht in de te verwachten waarden is de archeologische beleidskaart vastgesteld. De definitieve archeologische beleidskaart is op 29 mei 2012 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Zijpe vastgesteld. Op basis hiervan geldt voor de polder een lagere verwachtingswaarde dan de linten (van onder andere de Belkmerweg). Omdat er voor de uitvoering van dit bestemmingsplan geen bodemingrepen nodig zijn, is er op dit moment geen specifiek onderzoek nodig. De gebieden met archeologische waarde worden evenals in het geldende bestemmingsplan bestemd door middel van een dubbelbestemming archeologische waarde. Het gaat hierbij om de volgende dubbelbestemmingen:

  • Waarde - Archeologie 4: planomvang tot 500 m2 en grondbewerking dieper dan 50 centimeter;
  • Waarde - Archeologie 6: planomvang tot 10.000 m2 en grondbewerking dieper dan 50 centimeter.

De gebieden en regimes zijn verwerkt in de planregels. De gemeente acht dit (op grond van wet- en regelgeving) wenselijk en noodzakelijk om de verschillende archeologische waarden te beschermen en te behouden. Uit de resultaten van (aanvullend) archeologisch onderzoek moet blijken dat geen archeologische waarden aanwezig zijn of door de werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad/verstoord. Voor het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden moet duidelijk blijken dat er ter plaatse geen archeologische waarden (meer) zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden verstoord.

4.9 Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Binnen het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel kunnen de structuren en kenmerken van het landschap als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 worden deze structuren en kenmerken gerespecteerd. Het is niet noodzakelijk om nadere eisen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden te stellen.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

Langs de voorzijde van de percelen ligt een hoofdwaterleiding. Deze is in het geldende bestemmingsplan niet voorzien van een belemmeringenstrook. Daarom wordt dit ook in dit bestemmingsplan niet gedaan. De eigenaren en gebruikers van het plangebied zijn op de hoogte van de aanwezigheid van de leiding.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Voor de bestemmingen geldt dat de regeling is gebaseerd op de regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe. Daarmee voldoet het plan aan de gemeentelijke standaard. Maatwerk is verricht voor de specifieke situatie in het plangebied. Een nadere toelichting op de regeling staat in deze paragraaf.

Agrarisch

De bestemming 'Agrarisch' ligt op de gronden waarop momenteel nog een bouwvlak ligt. Op deze gronden worden de bouwmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf weggenomen. De regels blijven voor het overige ongewijzigd. Dit betekent dat er eveneens ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van permanente bollenteelt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bollenconcentratiegebied' en voor de realisatie van een waterbergingsgebied, ter plaatse van de aanduiding 'waterberging'.

De bestemming geeft een regeling waarbij de uitoefening van agrarische doeleinden mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast zijn andere functies mogelijk, bijvoorbeeld waterlopen, waardoor flexibiliteit binnen de bestemming mogelijk is. De bebouwing van de gronden is niet meer toegestaan, de gronden hebben geen bouwvlak. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om hekwerken. De hoogte hiervan is beperkt.

Bedrijf

Het bedrijf is geregeld in de bestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming wordt, overeenkomst het bestemmingsplan Buitengebeid Zijpe ruimte geboden voor bedrijven uit milieucategorie 1 en 2. Aanvullend zijn 'landelijke bedrijven' toegestaan, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - landelijk bedrijf'.

Een landelijk bedrijf is een bedrijf dat naar de aard van zijn activiteiten gebonden is aan het agrarische buitengebied of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied. Hierbij kan sprake zijn van de volgende (combinatie van) activiteiten:

  • het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven, zoals agrarische loonbedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven en veehandelsbedrijven;
  • bewerking, verwerking, distributie en opslag van agrarische producten.

Uitbreidingsmogelijkheden gebouwen

Op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening geldt dat niet-agrarische bedrijven uitsluitend in de bestaande bebouwing gevestigd kan worden. Voor dit plan is gekozen de bebouwing in een bouwvlak vast te leggen. Voor het landelijk bedrijf is meer ontwikkelingsruimte in de beleidskaders. Alleen voor deze bedrijven kan de bebouwing door het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gedeeltelijk of geheel buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits de noodzaak hiervoor is aangetoond en een goede landschappelijke inpassing in overleg met de gemeente wordt geregeld.

Buitenopslag

Buitenopslag voor niet-agrarische bedrijvigheid is niet toegestaan. Voor het landelijk bedrijf is wel tijdelijke opslag die direct verband houdt met de bedrijfsvoering toegestaan. Daarbij kan worden gedacht aan buitenopslag zoals bij grondverzet (tijdelijke opslag van grond op het terrein waarna het wordt vervoerd naar de eindbestemming), het stallen van materieel of de overslag van landbouwproducten.

Bedrijfswonen

Bij het bedrijf is een bedrijfswoning mogelijk. Het betreft hier de bestaande bedrijfswoning op nummer 151. Deze is eveneens in een bouwvlak vastgelegd.

Wonen

Voor de woning aan de Belkmerweg 149 is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De regeling is gebaseerd op het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe, zodat de woning goed gaat passen binnen de omgeving. In afwijking van de algemene woonbestemming is een bouwvlak opgenomen, waarmee de locatie van de woning wordt vastgelegd. Daarmee is gewaarborgd dat de woning niet dichter bij het naastgelegen bedrijf komt.

Waarde - Archeologie 4 en 6

De bestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 6', zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe, blijven op de gronden van toepassing. De bestemmingen geven een beschermende regeling voor de mogelijk in de grond aanwezige archeologische waarden. Dit betekent onder meer dat, wanneer voor werken en werkzaamheden met een bepaalde omvang een vergunning nodig is, door middel van onderzoek wordt aangetoond dat de vergunning verleenbaar is.

Wanneer uit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, kan de bestemming worden verwijderd. Hiervoor is in de bestemming een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De regeling is overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde procedure, waarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond kan worden.

Overleg

Het bestemmingsplan wordt, volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Voorafgaand aan het wettelijke vooroverleg, is het voornemen besproken in het Goede Diensten Overleg met de provincie Noord-Holland. Van de provincie is geen overlegreactie ontvangen. Wel heeft de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NH) een advies uitgebracht. Dit advies is opgenomen in Bijlage 3. Naar aanleiding van het advies is hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan op een aantal onderdelen aangevuld of aangepast. Tevens is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Over dit onderzoek heeft de RUD NH positief geadviseerd.

Zienswijzen  

Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan wordt hiervoor gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen.

Vaststelling  

Vervolgens wordt het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid moet aangetoond worden. Bepalend daarbij zijn de grondexploitatieregeling en de financiële haalbaarheid van de ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt.

Grondexploitatieregeling

De grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing, omdat bij recht geen bouwplannen mogelijk worden gemaakt. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin worden naast het kostenverhaal (waaronder planschade) vastgelegd. De gemeenteraad besluit dan ook bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen.

Financiële haalbaarheid

De ontwikkeling is een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De kosten voor de procedure worden verhaald via leges. De investeringen zijn nodig om het bedrijf ontwikkelingsmogelijkheden te bieden. De kosten en baten van deze investering zijn in beeld gebracht. Het plan is daarmee financieel haalbaar.