direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Jewelweg 12a te Callantsoog
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De heer Vos heeft het voornemen om op het perceel tussen de Jewelweg 12 en 14 in Callantsoog een nieuwe woning te realiseren. Het perceel ligt in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zijpe' (vastgesteld op 18 mei 2016) in de gemeente Schagen. De gronden van het projectgebied zijn daarin bestemd als 'Tuin'. Het bouwen van een woning is in strijd met dat bestemmingsplan, omdat op deze gronden geen gebouwen mogen worden gebouwd.

Voor dit voornemen is een wijziging van het bestemingsplan noodzakelijk. Voorliggend plan is daarvoor opgesteld en beoogt de bestemming 'Wonen' mogelijk te maken.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft het perceel gelegen tussen Jewelweg 12 en 14 in Callantsoog, sectie E nr. 923, met een oppervlakte van 1195 m2 en bestemming 'Tuin'. Het ligt net buiten de dorpsrand van Callantsoog. Onderstaande figuur geeft het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0001.png"

Figuur 1. Weergave plangebied

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hierna een hoofdstuk waarin het voornemen wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens het voornemen getoetst aan relevante beleidskaders en de relevante wet- en regelgeving. Ten slotte besteedt hoofdstuk 4 aandacht aan de juridische vormgeving en licht hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het voornemen toe.

Hoofdstuk 2 Voornemen

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van het dorp Callantsoog, tussen een woonhuis en een (woon)-stolpboerderij. Aan zowel de noordzijde als de zuidzijde is het perceel bereikbaar vanaf een private weg. Het terrein is al jaren in ongebruik en heeft een verwilderde/verwaarloosde uitstraling met veel opgaande begroeiing. Onderstaande foto's geven een indruk van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0002.jpg"

Figuur 2. Luchtfoto van de planlocatie (bron: Google Earth)

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0003.png"

Figuur 3. Aan de linkerzijde bevindt zich het projectgebied, dat is gelegen aan de onverharde en doodlopende Jewelweg (bron: Google StreetView)

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0004.png"

Figuur 4. Huidige situatie. Het terrein is verwilderd en verwaarloosd

In het geldende bestemmingplan 'Buitengebied Zijpe' hebben de gronden de enkelbestemming 'Tuin' en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 5'. Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de bestemmingsplankaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0005.png"

Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplankaart (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Enkelbestemming 'Tuin'

De gronden aangewezen als 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, groenvoorziening en water met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. Hier mogen dus geen gebouwen worden gebouwd.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5'

De voor 'Waarde - Archeologie - 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden en de overige bestemmingen die op basis van het plan aan de gronden.

2.2 Toekomstige situatie

Het idee is om op dit perceel een levensloopgeschikte woning te realiseren met een eenvoudige strakke en tijdloze architectuur, passend in de bestaande omgeving van het duin-heide-bosgebied. De woning zal zoveel mogelijk energie-neutraal (BENG) worden uitgevoerd zonder aansluiting op het aardgasnet.

Het voornemen bestaat uit de realisatie van een duurzame woning op palen (enkele tientallen centimeters van de grond). Het uitgangspunt voor de nieuwe ontwikkeling is parkeren op eigen terrein. De woning met inrit wordt zo veel mogelijk ingepast in het bestaande groen en er zal spaarzaam worden omgegaan met het verwijderen van bestaand groen.

Hoofdstuk 3 Toetsing

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen is dit wijzigingsplan getoetst aan het geldende Rijks, provinciale en gemeentelijke beleidskader en de daaruit voortvloeiende wet- en regelgeving. In onderstaande paragrafen vindt deze toetsing plaats. Aan de hand hiervan kan geconcludeerd worden dat het geldende beleidskader de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan niet in de weg staat.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Het Rijk heeft het beleid inzake de ruimtelijke inrichting en het mobiliteitsbeleid van Nederland tot 2040 vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze visie is vastgesteld op 13 maart 2012.

De regering maakt ruimte voor groei en beweging en kiest ervoor de invulling van het ruimtelijk beleid voor een belangrijk deel over te laten aan provincies en gemeenten. Daardoor kan het Rijk zich richten op het behartigen van belangen die van nationale en internationale betekenis zijn. De minister vermindert stevig het aantal procedures en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat gebracht (burgers en bedrijven) en er wordt meer overgelaten aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere

regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat mede-overheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028) en verbindt hier dertien nationale belangen aan.

De ontwikkeling in dit plan is niet in strijd met bovenstaand beleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Per 1 oktober 2012 is deze Ladder als motiveringseis in artikel 3.16, tweede en derde lid van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De Ladder is een instrument waarmee vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar afgestemd worden om zo de ruimte in stedelijke gebieden optimaal te benutten. Per 1 juli 2017 is de Ladder aangepast. De Ladder moet worden doorlopen als sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die in het plan mogelijk wordt gemaakt. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling is in de regel ‘ladderplichtig’ als er twaalf of meer dan twaalf woningen gerealiseerd worden.

Het begrip “Bestaand stedelijk gebied” spreekt nadrukkelijk over een bestaand stedenbouwkundig samenstelsel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.


Het planvoornemen betreft de bouw van slechts één woning die zich voegt in de aanwezige bestaande stedenbouwkundige structuur van het dorp Callantsoog. Hierdoor verloopt de overgang naar buiten bebouwd gebied op een wijze die bij het landschap past. Het plangebied ligt in een omgeving met meerdere woningen en maakt gebruik van de aanwezige ontsluitingsweg. De beoogde woning vormt een kwaliteitsimpuls en nieuwe afbakening van het bestaand bebouwd gebied.

Gelet op het planvoornemen om één woning te realiseren kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De Ladder hoeft niet verder te worden doorlopen in verband met de aard en omvang van de ontwikkeling.


Het planvoornemen is in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleidskader

Het provinciale beleid met betrekking tot het wonen is vastgelegd in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040

De provincie Noord-Holland zet de komende 30 jaar in op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden omringt door aantrekkelijk recreatief groen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. De provincie wil steden optimaal benutten, landschappen open houden en ruimte bieden aan economie en woningbouw. Zij streeft naar verdere stedelijke verdichting en helpt gemeenten bij het optimaliseren van het gebruik van Bestaand Bebouwd Gebied.

Ook het behoud van ruimtelijke kwaliteit en het waarborgen van dorps-DNA wordt aangehaald. Een kernpunt hierbij is dat nieuwe ontwikkelingen aan de rand van het dorp plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling vindt plaats aan de rand van het dorp, tussen twee bestaande woningen. Verder is de beoogde ontwikkeling, zoals in hoofdstuk 2.3 beargumenteerd, goed in te passen. Dit maakt dat het dorps-DNA en de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijven.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Bij de Structuurvisie hoort een Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) die de regels stelt waaraan bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en (tijdelijke) omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dienen te voldoen. In tegenstelling tot de Structuurvisie Noord-Holland 2040 is de verordening bindend. De PRV wordt regelmatig aangepast naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid. Voorliggend bestemmingsplan is getoetst aan de PRV zoals deze op 1 mei 2018 in werking is getreden.

De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van een nieuwe woning in het bestaand stedelijk gebied. Er zijn geen vigerende bouwmogelijkheden aanwezig voor een woning.

3.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 is door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 10 april 2018. De Leidraad 2018 is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) verankerd in artikel 15 (ruimtelijke kwaliteitseis). In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. Ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn alleen mogelijk indien de Leidraad daarbij wordt toegepast. Die ruimtelijke ontwikkelingen betreffen bijvoorbeeld nieuwe bebouwing, uitbreiding van agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking.

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Het is daarom niet nodig om de Leidraad te volgen.

De ontwikkeling vormt geen belemmering ten aanzien van deze ambities en ontwikkelprincipes uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

3.3 Gemeentelijk beleidskader

3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied Zijpe

In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zijpe’ heeft het plangebied de bestemming 'Tuin' en is woningbouw niet mogelijk. Het plangebied heeft daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’.

3.3.2 Woningbouwbeleid

Op 28 oktober 2014 heeft de gemeenteraad Schagen de woonvisie vastgesteld. De Woonvisie beschrijft de rol van Schagen in de regio en de provincie en hoe onderling wordt samengewerkt om te komen tot een blijvend gezond woningbestand in zowel stad, dorp als landelijk gebied. Samen met maatschappelijke partners en de inwoners wil Schagen de antwoorden vinden en een impuls geven aan de vitaliteit en kracht van de gemeenschappen in de kernen. Hierbij staat vraaggestuurd bouwen in de kernen centraal.

Het voornemen sluit aan op de lokale woonvisie, met betrekking tot de levensloopbestendigheid en energie-neutrale aspecten. Om deze reden heeft de gemeente Schagen aangegeven medewerking te willen verlenen aan het voornemen en heeft de gemeente gezorgd voor regionale afstemming voor wat betreft het woonprogramma.

Op grond van bovenstaande argumenten kan de herbestemming naar 'Wonen' worden ondersteund en de gewenste ontwikkeling worden toegestaan.

3.4 Planologische randvoorwaarden

Voorliggend bestemmingsplan dient te worden getoetst aan diverse wet- en regelgeving voortvloeiend uit voorgaand beleidskader.

3.4.1 Water

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is de watertoets verplicht voor het beoordelen van ruimtelijke ontwikkelingen. In een hierover op te nemen paragraaf dient te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of, en in welke mate het onderhavig plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'Het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.

Op 24 april 2018 is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geïnformeerd over het voorgenomen plan. Die heeft geoordeeld dat de realisatie van het plan geen substantiele toename (>800m2) van verharding en bebouwing tot gevolg heeft waardoor er geen compenserende maatregelen hoeven te worden getroffen. Aan de zuidzijde van de planlocatie is een primaire watergang aanwezig en het onderhoud van deze waterloop zal vanaf de kant worden uitgevoerd. Indien hier een woning wordt gebouwd, dient een onderhoudsstrook van minimaal vijf meter te worden vrijgehouden.

Gezien de ligging van de woning is het mogelijk dat een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd waarbij voor het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op gemeentelijke riolering.

De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet door het aspect water beperkt.

3.4.2 Bodem

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situatie (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit ten minste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.

Om een indruk te krijgen van de bodemkwaliteit in het plangebied is het Bodemloket geraadpleegd. Van het plangebied en de omgeving is geen bodeminformatie bekend. Daarnaast zijn ook geen historische activiteiten bekend die eventueel tot bodemverontreiniging kunnen zorgen. Gezien de voormalige bestemming als tuin, mag verondersteld worden dat de bodemkwaliteit voldoende is ten opzichte van het toekomstige gebruik.

Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem kan dit planvoornemen planologisch uitvoerbaar worden geacht.

3.4.3 Ecologie

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.

Natura 2000-gebieden genieten internationale bescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wet natuurbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied maar grenst daar wel direct aan, zoals weergegeven in navolgende figuur. Direct ten noorden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied, Duinen Den Helder – Callantsoog. Op een afstand van circa 600 meter ligt het gebied Noordzeekustzone en op een afstand van circa 900 meter ligt het Zwanewater & Pettemerduinen gebied.

Hoewel de afstand tot de gebieden klein is, zal de situatie vanwege het planvoornemen niet verslechteren. Het aantal verkeersbewegingen zal vanwege de bestemmingswijziging niet substantieel toenemen, waardoor niet in betekenende mate een toename van stikstof te verwachten is. Er is dan ook geen sprake van een extern effect op beschermd Natura 2000-gebied. Ter onderbouwing is hiervoor een Aeriusberekening opgesteld en als bijlage bij het bestemmingsplan toegevoegd (Bijlage 1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0006.png"

Figuur 6. Plangebied ten opzichte van Natura 2000

Bescherming van soorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet bepaalt dat bij ruimtelijke projecten rekening moet worden gehouden met beschermde plant- en diersoorten. Met de bestemmingsplanprocedure wordt een functiewijziging mogelijk gemaakt die tot fysieke ingrepen leidt. De functiewijziging van dit plan zou daardoor invloed kunnen hebben op eventueel aanwezige plant- en diersoorten op het perceel. Daarom is het noodzakelijk ter plekke een ecologische inventarisatie uit te voeren. De uitkomsten van deze inventarisatie zijn te vinden in Bijlage 2.

Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.

Het projectgebied maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van de beschermde wezel, hermelijn en bunzing. Doordat echter maar een klein deel van het groen in het projectgebied verdwijnt, zijn als gevolg van de beoogde plannen geen negatieve effecten te verwachten op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Wel dient te worden voorkomen dat bij de werkzaamheden exemplaren worden verwond of gedood. Hiertoe dienen de (voorbereidende) werkzaamheden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (globaal van april tot en met augustus) te worden uitgevoerd.

Verder komt uit de inventarisatie naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels.

Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

Op basis van de ecologische inventarisatie worden er geen effecten verwacht die van betekenis kunnen zijn voor de natuurlijke waarden van het omliggende gebied en het plangebied. Als rekening wordt gehouden met de aanbevelingen uit het ecologisch onderzoek, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4.4 Verkeer, parkeren en luchtkwaliteit

Parkeren zal op eigen erf plaatsvinden. Hiervoor is op het perceel voldoende ruimte.

Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 microgram/m3 (grenswaarde in 2017 is 1.241 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal).

De voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is van toepassing op het planvoornemen van dit bestemmingsplan, het planvoornemen betreft de bouw van slechts één woning. Daarnaast leidt het planvoornemen ook niet tot een dusdanig aantal extra verkeersbewegingen dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn.

Het plan is wat betreft de aspecten verkeer, parkeren en luchtkwaliteit uitvoerbaar.

3.4.5 Milieuhinder

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en beperken. De Wgh bepaalt dat de geluidsbelasting op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm. In veel gevallen is deze norm 48 dB, die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Aangezien in de omgeving van het plangebied geen sprake is van industrielawaai en spoorweglawaai, is hierop verder niet ingegaan.

In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen geluidzones. De geluidszone voor wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 200 meter gerekend vanuit de as van de weg. Voor wegen buiten de bebouwde kom is dit 250 meter. Bij de bouw van geluidsgevoelige objecten binnen deze zones dient door middel van akoestisch onderzoek vastgesteld te worden of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. Dit geldt niet voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Het plangebied ligt aan de rand van de de dorpskern van Callantsoog, aan een onverharde en doodlopende weg waar geen doorgaand verkeer langs rijdt en waar de maximale snelheid 30 km per uur is. De Wet geluidhinder geeft voor dergelijke wegen geen verplichting tot nader onderzoek noch bestaat er dan de mogelijkheid tot het verlenen van een hogere grenswaarde.

Vanuit het oogpunt van geluidhinder mag het plan uitvoerbaar worden geacht.

Bedrijfshinder

Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen.

 

In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt een richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven. In de meeste gevallen kunnen deze minimale afstanden worden aangehouden tussen een bedrijf en hindergevoelige functies om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering of na milieutechnisch onderzoek kan en mag hiervan worden afgeweken. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom van het dorp Callantsoog. Een woning kan beschouwd worden als een hindergevoelige functie.

In de buurt van de woning bevind zich geen enkele bedrijvigheid binnen de normen van de minimale richtafstanden. Daarom kan vanuit het aspect bedrijfshinder verondersteld worden dat het plan uitvoerbaar is.

3.4.6 Erfgoed

Archeologie

Op de gronden van dit bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5'. De voor 'Waarde – Archeologie 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden en voor de overige bestemmingen die op basis van het plan aan de gronden zijn toegewezen. Hierbij geldt dat bij bouw- of graafwerkzaamheden groter dan 500 m2 dan wel dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld aanvullend archeologisch onderzoek vereist is.

Binnen de mogelijkheden van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ is voldoende ruimte aanwezig voor de beoogde ontwikkeling. De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect archeologie.

Cultuurhistorie

Om vast te stellen of er in het plangebied sprake is van aanwezige archeologische- of cultuurhistorische waarden is de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC) van de Provincie Noord-Holland geraadpleegd. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische aspecten aanwezig die mogelijkerwijs beschermd zouden moeten worden met dit bestemmingsplan.

Het planvoornemen wordt niet door cultuurhistorische waarden beperkt.

3.4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of lpg. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden en het groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon, dan wel deel uitmakend van een groep.

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven. Voor dit bestemmingsplan is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Op basis van deze kaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied alleen kwetsbare objecten aanwezig zijn en geen mogelijke risicobronnen. Dit is in navolgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPCOOGJEWELWEG12A-VA01_0007.png"

Figuur 7. Risicokaart voor externe veiligheid (bron: risicokaart.nl)

Op grotere afstand (ca. 1 km) bevinden zich de dichtstbijzijnde risicobronnen. Het betreft camping de Tempelhof en het recreatiecentrum De Nollen b.v. ten noordoosten van Callantsoog, omdat ter plaatse een propaanopslag aanwezig is. De risicoafstand voor het PR 10-6 is 20 m. Er vindt ter plaatse geen overschrijding van het groepsrisico plaats. Gezien de grote afstand tot het plangebied worden in het plangebied geen gevaren op het gebied van extern veiligheid verwacht vanwege deze inrichtingen.

Figuur 7 laat eveneens zien dat er geen transportroutes of buisleidingen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Met het planvoornemen wordt ook geen nieuwe risicovolle inrichting mogelijk gemaakt.

Wat betreft externe veiligheid is het planvoornemen uitvoerbaar.

3.5 Conclusie

In voorgaande paragrafen is het planvoornemen getoetst aan de beleids- en omgevingsaspecten. Hieruit is duidelijk geworden dat de bestemmingswijziging zoals dit bestemmingsplan mogelijk maakt, op deze locatie passend en uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 4 Juridische toelichting

4.1 Algemeen

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Dit houdt onder andere in dat in de nieuwe Wro de strafbepaling en de algemene gebruiksbepaling zijn neergelegd, zodat deze niet meer hoeven te worden opgenomen in de planregels.

De SVBP2012 bepaalt in grote mate de vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen. De SVBP2012 bevat bijvoorbeeld omschrijvingen van begrippen die letterlijk moeten worden overgenomen in elk bestemmingsplan. Daarnaast bevat het regels ten aanzien van de wijze waarop regels geformuleerd moeten worden. In het Bro is daarnaast een formulering opgenomen ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht die letterlijk moeten worden overgenomen in de planregels.

De regels zijn zo opgesteld dat ze gebruik kunnen worden in een analoog als ook digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend.

4.2 Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen te onderscheiden.

Voorbereidingsfase

De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1. Bro haar voornemen beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. De gemeente geeft een reactie op mogelijke overleg en inspraakreacties en verwerkt deze indien nodig.

Ontwerpfase

Wanneer de voorbereidingsfase is afgerond, wordt een ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Dit plan wordt na aankondiging in de Staatscourant en de website www.ruimtelijkeplannen.nl voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

Vaststellingsfase

Na de periode van terinzagelegging worden, voor zover nodig, de zienswijzen verwerkt in het bestemmingsplan. Hierna stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan binnen ten hoogste twaalf weken vast. Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en wordt het vastgestelde bestemmingsplan wederom ter inzage gelegd. Voor belanghebbenden bestaat gedurende een periode van zes weken na bekendmaking de gelegenheid om beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

4.3 Juridische vormgeving

Het SVBP2012 voorziet in een standaardopbouw van een bestemmingsplan waarvan niet mag worden afgeweken. Bestemmingsplanregels zijn hierdoor altijd als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 1: inleidende regels
    Dit hoofdstuk bestaat uit twee artikelen: de begrippen en de wijze van meten.
  • Hoofdstuk 2: bestemmingsregels
    In dit hoofdstuk zijn de regels terug te vinden die gelden voor de verschillende bestemmingen.
  • Hoofdstuk 3: algemene regels
    In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan.
  • Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

De regels van het bestemmingsplan sluiten altijd af met regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

4.4 Planregels

Nu het juridisch kader is geschetst, kan gekeken worden naar de regels die specifiek in dit gebied gelden.

Artikel 3: Wonen

De woning mag een maximale oppervlakte hebben van 200 m² met een bouwhoogte van 10 meter en maximaal twee bouwlagen.

Bij de woning zijn aan huis gebonden beroepen en bedrijven toelaatbaar. Hiervoor geldt dat maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen hiervoor gebruikt mag worden. Bed & breakfast wordt, onder voorwaarden, mogelijk gemaakt binnen de woning en bijgebouwen.

Artikel 4: Waarde – Archeologie 5

Om de archeologische waarden in een gebied te beschermen is er een dubbelbestemming toegekend aan de gronden. Aan deze bestemming zijn regels verbonden als het gaat om grondbewerking.

Daarbij wordt naar gekeken als de oppervlakte van nieuw te bouwen bouwwerk groter is dan 2500 m2 en de diepte van de grondbewerking dieper is dan 50 centimeter.Voor onder andere het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het 'normale' onderhoud, met inbegrip van het vervangen van drainagewerken, is een uitzondering van toepassing. Het is voor het uitvoeren van die werkzaamheden niet noodzakelijk een omgevingsvergunning aan te vragen.

Algemene regels

In de algemene regels wordt onder andere het parkeren nader geregeld. Deze regeling is gekoppeld aan bouwactiviteiten in het plangebied. Zo mag enkel gebouwd worden voor zover voorzien is in voldoende parkeergelegenheid. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende parkeergelegenheid aanwezig is, neemt de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016' of het op dat moment geldende document een leidende plek in.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient economisch uitvoerbaar te zijn, waardoor het plan inzicht moet geven in de financiële uitvoerbaarheid. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De te verhalen kosten worden limitatief opgesomd in artikelen in de kosten-soorten lijst (art. 6.2.4 Bro). Voor het voorliggende plan maakt de gemeente alleen kosten voor begeleiding. Deze kosten worden gedekt uit de legesheffing. De noodzakelijke onderzoeken zijn al voor rekening van de aanvrager uitgevoerd. Op grond hiervan kan worden aangegeven dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

Planschade

Door het opstellen van een bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door belanghebbende eigenaren van gronden in de omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met een planschadeverhaal worden door de aanvrager van de bestemmingsplanherziening gedragen. Hiervoor is tussen de gemeente en de aanvrager een planschadeovereenkomst ondertekend.

Conclusie

Op basis van deze overwegingen mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht. De uitvoerbaarheid van het voorliggende plan zal niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid worden belemmerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Met het ter visie leggen van het ontwerp-wijzigingsplan stelt de gemeente een ieder in de gelegenheid om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op, de inhoud van het planvoornemen. De op het plan verkregen reacties zijn in een zelfstandige 'nota van beantwoording zienswijzen' opgenomen (zie Bijlage 3).