direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Locatie De Nijs, Schoorldam
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op de hoek van de Westfriesedijk en de Kanaalweg te Schoorldam ligt een deels bebouwde kavel die in gebruik is als bedrijventerrein voor een bouwbedrijf en een tuincentrum. Tevens staat op het terrein één woning. De eigenaar van het terrein wil het gebied herontwikkelen met woningbouw. De voorgestelde ontwikkeling past niet binnen de kaders van het bestemmingsplan.

1.2 Plangebied

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de gronden behorende bij het perceel aan de Westfriesedijk te Schoorldam (kadastraal perceelnummer 1249, 1151 en 1248 deels, sectie H en gemeentecode WMH00). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,5 hectare. De exacte ligging van het plangebied blijkt uit de planbegrenzing van de verbeelding van het bestemmingsplan.

Navolgende figuur geeft de globale ligging van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0001.png"

Figuur 1. Weergave plangebied (bron: PDOK viewer)

Het plangebied is gelegen in Schoorldam, een dorp aan de rand van de gemeente Schagen. Het plangebied wordt begrensd door de Westfriesedijk aan de oostzijde en de Kanaalweg aan de zuidzijde. Aan de westzijde grenst het plangebied aan een groene strook en een parkeerterrein. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de bedrijvigheid van een bouwbedrijf.

1.3 Geldend juridisch-planologisch kader

Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan Landelijk Gebied van de voormalige gemeente Harenkarspel, dat vastgesteld is op 11 december 2013. De betreffende gronden zijn bestemd voor 'Bedrijf' en 'Wonen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0002.jpg"

Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan Landelijk Gebied

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer heeft overleg plaatsgevonden over de mogelijke invulling van het plangebied. Ook is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, die is opgenomen in bijlage 1. Dit bestemmingsplan heeft tot doel het plangebied geschikt te maken voor woningbouw en recreatiewoningen en vormt daarvoor het juridisch kader. Tevens behandelt het de randvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden voordat woningbouw op deze locatie kan worden toegestaan.

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Het van toepassing zijnde beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente is in hoofdstuk 3 uitgewerkt. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingegaan op de randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden voordat de beoogde plannen doorgang kunnen vinden. Hoofdstuk 5 betreft de juridische toelichting van het bestemmingsplan. Als laatste is in hoofdstuk 6 de (economische en maatschappelijk) uitvoerbaarheid uiteengezet.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is in het plangebied aan de noordwestzijde een woning aanwezig. Deze woning blijft in de toekomstige situatie behouden. Aan de zuidoostzijde is een voormalig tuincentrum gesitueerd.

Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de kanaalweg, de Westfriesedijk aan de oostzijde en aan de westzijde door de Kanaalkade.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0003.png"

Figuur 3. Huidige situatie (bron: Pdokviewer, 2018)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het tuincentrum gesloopt. De woning die reeds in het plangebied aanwezig is, blijft eveneens behouden. Aan de zuidoostzijde van het plangebied komen twee vrijstaande woningen en vier twee-onder-één-kap-woningen. Aan de zuidwestzijde worden drie recreatiewoningen gerealiseerd. In het midden van het plangebied wordt een verkeerspleintje gesitueerd met rondom meerdere parkeerplaatsen, dit zal openbaar gebied worden. Ook aan de entree van het terrein zijn parkeervoorzieningen beoogd. Voor wat betreft de inrichting van het plangebied is behoud van het groene, besloten karakter uitgangspunt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0004.png"

Figuur 4. Stedenbouwkundig plan (Bugel Hajema Adviseurs, 2019)

Beeldkwaliteitsplan
Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan heeft als doel om het plan te onderbouwen en te voorzien in een welstandskader voor de nieuw te bouwen woningen.

Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage bijgevoegd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. In deze structuurvisie staan alle plannen voor ruimte en mobiliteit voor de komende deccenia. Met de structuurvisie wordt een vereenvoudiging van de bestaande regelgeving nagestreefd, waarin meer verantwoordelijkheid bij de lagere overheden komt te liggen.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk wil inzetten op topsectoren zoals logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw, waar de kracht van Nederland ligt ten opzichte van internationale concurrenten. De bereikbaarheid en mobiliteit van personen en goederen is daarbij van groot belang. Ontwikkelingen in leefbaarheid en veiligheid hangen sterk samen met bevolkingsroei- en krimp. De veranderende behoeften op het gebied van wonen en werken leggen daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit gaat voor kwantiteit.

Het Rijk formuleert de drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet op 13 nationale belangen. Hierbuiten hebben decentrale overheden beleidsvrijheid, omdat zij beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Voorliggende bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met nationale belangen uit de SVIR, met uitzondering van nationaal belang 13 betreffende een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming die bij alle ruimelijke en infrastructurele besluiten geldt. Dit moet met behulp van de zogeheten 'Ladder voor duurzame verstedelijking' worden onderbouwd.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 3.1.6. lid 2 Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder moet voldoen. Per 1 juli 2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing.

De tekst uit het Bro luidt als volgt: ''De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied'. Het planvoornemen heeft betrekking op bestaand stedelijk gebied.

De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en de omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 3 recreatiewoningen en 6 nieuwe woningen. Voor woningen geldt, dat voor woningbouwlocaties 'in beginsel' pas vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921).

Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Het planvoornemen is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie NH 2050

De provincie streeft naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare provincie draagt bij aan economische vitaliteit. De provincie staat voor een gezonde en veilige leefomgeving, goed voor mens, plant en dier, en daarmee ook goed voor het economisch vestigingsklimaat binnen de provincie. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die wij maken.

In de omgevingsvisie is het principe van 'lokaal wat kan, centraal wat moet' leidend. Hieruit komen een aantal hoofdthema's naar voren:

  • Noord-Holland in beweging, op weg naar een economisch en duurzame toekomst;
  • dynamisch schiereiland, benutten van een unieke ligging;
  • metropool in ontwikkeling, vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem;
  • sterke kernen, sterke regio's, sterke kernen houden regio's vitaal;
  • nieuwe energie, economische kansen benutten van energietransitie;
  • natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agri-foodsector.

Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen sluit dan ook aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Provinciale Staten hebben op 14 januari 2019 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. Deze is op 1 februari 2019 in werking getreden.

In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 2010 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een plangebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking. In principe wordt de nieuwbouw van woningen, evenals bedrijven en kantoren niet toegestaan buiten het bestaand bebouwd gebied, om onnodige verstedelijking te voorkomen.

Onder bestaand stedelijk gebied wordt volgens artikel 1.1.1 van het Bro onder h verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, cultureel groen en infrastructuur". Het plangebied maakt deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Het voldoet daarmee aan de eisen van de verordening. Tevens wordt de nodige aandacht besteed aan de ruimtelijke inrichting van het plangebied, met inachtneming van de bestaande kwaliteiten van het landschap. In paragraaf 3.2.5 wordt ingegaan op het beeldkwaliteitsplan.

3.2.3 Provinciale woonvisie 2010 - 2020

In de provinciale woonvisie 'Goed wonen in Noord-Holland' is de ambitie opgenomen dat er in 2020 voldoende woningen van de juiste kwaliteit zijn in Noord-Holland. De speerpunten van het provinciale woonbeleid zijn het verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod, het verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners, en het verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. Deze speerpunten zijn vertaald in de Regionale Actieprogramma's.

3.2.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

Provinciale Staten hebben in juni 2010 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling.

Het grondgebied van de provincie Noord-Holland is in de Leidraad ingedeeld in verschillende landschapstypen. De regio van het plangebied is ingedeeld in het oude zeekleilandschap en het droogmakerijenlandschap. Per landschapstype zijn in de Leidraad de kernkwaliteiten van het gebied weergegeven. Voor het zeekleilandschap zijn de lintdorpen, molens, stolpen, de Westfriese Omringdijk en het halfopen karakter van het landschap kenmerkend.

Kenmerkend voor het droogmakerijenlandschap zijn de historische structuurlijnen van de verschillende droogmakerijen, die elk hun eigen kenmerken hebben. Vaak is er een duidelijke begrenzing van een ringvaart, zoals bijvoorbeeld de polder Slootwaard. Ook de stolpboerderijen vormen een identiteitsbepalend onderdeel gelegen aan het samenhangende systeem van ringdijken, ringvaarten en waterlopen.

In de Leidraad worden eveneens een aantal structuurdragers van provinciaal belang aangegeven. Hiervoor geldt als algemene regel 'behoud en versterking van de kernkwaliteiten van het landschap bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten het bestaand bebouwd gebied'. Dergelijke structuren kunnen als uitgangspunt genomen worden bij nieuwe ontwikkelingen. Een van de structuurdragers van Noord-Holland is de Westfriese Omringdijk. Deze dijk moet worden behouden als beschermd dijklichaam met bijbehorende beschermde onderdelen zoals wielen en kleiputten. Vanwege de herkenbaarheid van de dijk in het open landschap is handhaving van een brede open zone aan weerzijden van de dijk gewenst. De continuïteit van het dijkprofiel, het behoud van het oorspronkelijke tracé en de materiaalkeuze dragen bij aan de herkenbaarheid van de dijk in het landschap.

Ook de trekvaarten in Noord-Holland, waaronder het Noordhollandsch Kanaal dat de zuidwestelijke gemeentegrens van Harenkarspel vormt, worden beschouwd als structuurdragers van provinciaal belang. Voor de trekvaarten wordt ernaar gestreefd deze te behouden en te reconstrueren om te komen tot een beleefbare en bruikbare historische infrastructuur van vaarwegen langs de hoogtepunten uit de Gouden Eeuw. Dit ter bevordering van ruimtelijke kwaliteit, waterberging, recreatievaart, langzaam verkeersstructuur en toerisme in Noord-Holland.

Het plan voldoet aan de eisen om de kernkwaliteiten van deze elementen te waarborgen en waar mogelijk te versterken.

3.2.5 Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk

De Westfriese Omringdijk heeft de status van provinciaal monument. Deze status beschermt primair het dijklichaam zelf. De provincie Noord-Holland streeft naar 'behoud door ontwikkeling', wat inhoudt dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behoud en de versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarde en het karakter van de Westfriese Omringdijk. Als toetsingskader voor ontwikkelingen die het dijklichaam raken en voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving ervan, heeft de provincie het 'Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringrijk' opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.

De beleving van de landschappelijke waarde wordt bepaald door een aantal ruimtelijke karakteristieken:

  • de openheid rondom de dijk;
  • zicht van en naar de dijk;
  • de continuïteit van het dijkprofiel;
  • de relatie tussen de dijk en zijn kralen (waarmee een reeks van aan de dijk gerelateerde cultuurhistorische elementen wordt bedoeld);
  • de afwisseling van de kralen;
  • de herkenbaarheid van de verschillende dijktracés.

Het plangebied is gelegen in het deel van de Westfriese Omringdijk dat in het beeldkwaliteitsplan als 'boven het landschap' is gekenmerkt. Dit traject kan met zijn bochten en wielen het kroonjuweel van de Omringdijk genoemd worden. Bij Schoorldam, ter hoogte van het plangebied, buigt de dijk af van het kanaal en wordt hij hoger, steiler en grilliger. Vanaf hier tot Kolhorn lijkt de dijk boven het landschap te zweven. Op de kruin ligt een smalle weg en aan beide kanten van de dijk een sloot. De omringdijk heeft hier, mede door de vele wielen, een sterk slingerend karakter. Vanuit het omringende landschap gezien is de dijk haast een groene muur in het landschap. Door de hoogte van de dijk en de openheid van het landschap is een weids uitzicht mogelijk. De continuïteit van de dijk is groot doordat er weinig afslagen aan de dijkweg zitten.

Het plangebied en het aangrenzende gebied met recreatieve woningen zijn als aandachtspunt aangemerkt, omdat dit gebied het zicht op de dijk belemmert door hoge beplanting tussen de dijk en het Noordhollandsch Kanaal. Verder is het gewenst om nieuwe verdichtende ontwikkelingen op een zo groot mogelijk afstand van de dijk te realiseren en is het beschermen van het profiel van belang. Het doorsnijden van de dijk en het realiseren van nieuwe aansluitingen op de dijk zijn ongewenst.

In zowel het beeldkwaliteitsplan voor het plangebied als het voorliggende bestemmingsplan is rekening gehouden met de ligging van de Westfriese Omringdijk, waarbij zo veel mogelijk voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld worden in het beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk.

3.2.6 Handreiking Verblijfsrecreatie

De handreiking verblijfsrecreatie Noord-Holland is een verheldering van de provinciale rol ten aanzien van de uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen buiten bestaand stedelijk gebied. Gezien de ontwikkelbehoefte van de verblijfsrecreatiesector is het van belang om helderheid te verschaffen over wat de provincie van gemeenten verwacht bij de planontwikkeling voor verstedelijking buiten stedelijk gebied.

Verblijfsrecreatie is een relevante economische sector in de provincie. Het overgrote deel van de verblijfsrecreatie is gelegen buiten het bestaan stedelijk gebied. Met betrekking tot verblijfsrecreatie is er sprake van een veranderende behoefte. Deze behoefte uit zich in de bungalowmarkt in een behoefte aan meer luxe, ruimte en comfort. Er is een groeiende vraag naar groepsbungalows en losstaande huisjes.

Het planvoornemen heeft onder andere betrekking op de realisatie van drie recreatiewoningen binnen bestaand bebouwd gebied. De drie uitgangspunten (vraaggestuurde ontwikkeling, (her)ontwikkelen van bestaande terreinen heeft de voorkeur boven nieuwbouw en regionale afstemming) uit de handreiking verblijfsrecreatie zijn hierdoor niet van toepassing. Wel kan gesteld worden dat het planvoornemen inspeelt op de veranderende behoefte op het gebied van verblijfsrecreatie; de groeiende vraag naar losstaande huisjes.

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1 Woningbouw Kop van Noord-Holland

Het woningbouwbeleid is op regionaal niveau vastgelegd in het Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma voor de Kop van Noord-Holland (kortweg KwK). Het betreft hier een convenant over de ruimte voor woningbouw tot 2020 waaraan de gemeenten en de provincie Noord-Holland zich hebben verbonden op 28 oktober 2015. Hierbij wordt aangesloten op de harde plancapaciteit en op de ontwikkelingen uit de bevolkingsprognoses. Met het KwK wordt gestuurd en gemonitord op realisatie van de kwalitatief beste plannen. In het KwK is vastgelegd dat in de periode van 2014 - 2020 in de gemeente Schagen 900- 950 nieuwbouwwoningen worden toegevoegd.

In het Regionale Actieprogramma worden regionale afspraken gemaakt die nodig zijn om de woningmarkt toekomstbestendig te maken. De afspraken zijn gebaseerd op de provinciale woningbouwprognose. Vanuit duurzaam ruimtegebruik heeft binnenstedelijk bouwen en transformatie voorrrang conform te systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking. Door toepassing van kwantitatieve en kwalitatieve programmering in het KwK en het hanteren van de systematiek van het afwegingskader krijgen binnenstedelijke woningsbouwplannen voorrang. Indien er een plan buiten buiten bestaand stedelijk gebied is, dan geldt daarvoor de wettelijke regelgeving en is het plan in beginsel altijd onderwerp van bespreking in het regionaal bestuurlijk overleg.

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op binnenstedelijk bouwen en maakt onderdeel uit van de harde plancapaciteit. Het planvoornemen is hierdoor in overeenstemming met het regionale woningbouwbeleid.

3.3.2 Lokale Woonvisie

Op 28 oktober 2014 heeft de gemeeenteraad Schagen de visie 'Een nieuwe gemeente, een nieuwe koers - Lokale woonvisie 2014 t/m 2018' vastgesteld. In de Woonvisie staat beschreven hoe Schagen omgaat met de veranderingen op de woningmarkt. Huizenprijzen dalen, er staan veel woningen te koop, financiering is lastiger en de doorstroming verloopt moeizaam. In Schagen zijn daarbij bepaalde trends te zien: de groei van het aantal inwoners en huishoudens daalt, op termijn slaat dat om in krimp (volgens provinciale prognose: na 2030). Vergrijzing betekent meer ouderen, maar ook meer mensen met een beperking en toename van dementie. Kleine huishoudens nemen toe, huishoudens met kinderen nemen af. In stad Schagen neemt het aantal inwoners wel toe, vooral senioren willen graag dichtbij de voorzieningen wonen.

Centraal staat vraaggestuurd bouwen in de kernen van de gemeente. De Woonvisie beschrijft de rol van Schagen in de regio en de provincie en hoe onderling wordt samengewerkt om te komen tot een blijvend gezond woningbestand in zowel stad, dorp als landelijk gebied. Samen met maatschappelijke partners en de inwoners wil Schagen de antwoorden vinden en een impuls geven aan de vitaliteit en kracht van de gemeenschappen in de kernen.

De visie is gericht op vier thema's die gezamenlijk bijdragen aan blijvend prettig en aantrekkelijk wonen in de gemeente Schagen. Dit betreft de thema's:

  • de eigen kracht van inwoners;
  • de kwaliteit van de kernen;
  • de kwaliteit van de woningvoorraad behouden en versterken;
  • het woningbouwprogramma verminderen (aansluiten op de marktvraag).
3.3.3 Structuurvisie Harenkarspel

Voor de gehele voormalige gemeente Harenkarspel is op 15 december 2009 een structuurvisie vastgesteld. In de structuurvisie Harenkarspel wordt naast algemeen beleid ook gebiedsgericht beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur beschreven. Het plan gaat vooral in op het functionele en ruimtelijk beleid op de langere termijn en zal daarmee koers zetten voor ontwikkelingen die buiten de planperiode van dit bestemmingsplan liggen.

In de structuurvisie wordt voor het profiel van de (voormalige) gemeente als woon-, landbouw- en recreatiegemeente het volgende gemeld:

  • Woongemeente: het gebied is aantrekkelijk als vestigingsplaats op korte afstand van steden, op korte afstand van de kust maar toch met een landelijk karakter en een dorpse wijze van bouwen. Dit is een kwaliteit om op voort te bouwen. Het is echter niet de bedoeling het aantal woningen in het landelijk gebied te laten toenemen.
  • Landbouwgemeente: Deze functie is medebepalend voor het huidige landelijke beeld en is vanouds van bovengemeentelijke betekenis. Het aantal agrarische ondernemers zal afnemen, maar degene die er blijven moeten wel de kansen krijgen om zich in dit gebied met gunstige teeltomstandigheden verder te ontwikkelen. Bij niet-agrarische ontwikkelingen moet steeds de afweging worden gemaakt of bestaande agrarische bedrijven hier onder lijden. Daarnaast moeten ondernemers die blijven, genoeg kansen krijgen om de schaal van hun bedrijven, meegaand met de tijd, te vergroten.
  • Recreatie en toerisme: in de regio huisvest al een groot aantal recreanten vooral met een oriëntatie op de kust. Daarnaast wordt ernaar gestreefd de recreanten ook in de eigen regio te laten recreëren.

Naast de algemene hoofdlijnen is er ook een visie per thema en per kern van de (voormalige) gemeente opgesteld. Voor Schoorldam wordt daar expliciet ingegaan op het plangebied, dat als ontwikkellocatie in de Structuurvisie is opgenomen. Naast algemene hoofduitgangspunten, geeft de Structuurvisie specifieke uitgangspunten voor de ontwikkellocatie. Relevante hoofduitgangspunten voor het plangebied zijn het handhaven van (het zicht op) de Westfriese Omringdijk en het handhaven van een bebouwingsvrije zone langs de Westfriese Omringdijk. Tevens moeten nieuwe ontwikkelingen landschappelijk ingepast worden en mag er door nieuwe ontwikkelingen geen sprake zijn van aantasting van de ruimtelijke structuur van Schoorldam. De specifieke uitgangspunten zijn gericht op het realiseren van een goede overgang naar het dorp, passende overgangen naar het landschap en de schaal en massa van de bebouwing.

Voor het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Uit het beeldkwaliteitsplan komt naar voren dat voldoende rekening is gehouden met de landschappelijke elementen.

3.3.4 Reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen

De gemeente Schagen heeft de 'Reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen' opgesteld. Deze gids wijst de weg bij de aanpak van ruimtelijke ontwikkelingen.

RECREATIE
Voor het realiseren van nieuwe verblijfsrecreatie geldt dat per initiatief gekeken wordt of dit een welkome aanvulling is op het bestaande toeristische aanbod en een bijdrage levert aan het onderscheidend vermogen van het gebied. De gids gaat in op recreatieve ontwikkelingen en geeft een aantal trends en conclusies (op basis van onderzoek in 2012). Trends zijn:

  • verschuiving van kamperen naar bungalowmarkt;
  • ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit;
  • behoefte aan meer ruimte en luxe en enerzijds en meer 'back to basic' anderzijds;
  • de hotelmarkt groeit, maar vrijwel alleen plannen in Metropoolregio Amsterdam.

De belangrijkste conclusie is dat er sprake is van een groeiend aanbod, met mogelijk een achterblijvende vraag. Daarnaast zijn er grote kwaliteitsverschillen in het aanbod en leiden de trends in de verblijfsrecreatiesector tot een grotere ruimtebehoefte.

WONEN
Op het gebied van wonen geldt dat realisatie van nieuwe woningen maatwerk veriest. Per initiatief wordt gekeken hoe dit zich verhoudt tot regelgeving vanuit het Rijk, de provincie en het Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma (KwK) en de lokale woonvisie. Met de regio is afgesproken dat in de gemeente Schagen tot het jaar 2020 maximaal 950 woningen worden gerealiseerd. Het woningbouwprogramma 950 woningen is onderverdeeld in de jaarschijven 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019. Op basis van de ontwikkelingen is een x-aantal woningen per jaar per kern toegekend. Bij nieuwe plannen wordt gekeken naar de verkaveling van het plangebied, het soort woningen (prijsklasse, huur/koop, doelgroep), de plattegronden en de inrichting van het openbaar gebied.

De provincie Noord-Holland heeft onderzoek gedaan naar demografische ontwikkelingen en de toekomstige behoefte. De belangrijkste conclusies is dat tussen 2020 en 2040 de woningbehoefte maar beperkt groeit. In de regio Kop van Noord-Holland is een klein tekort aan het woonmilieu centrum-dorps (Schagen), een overmaat aan landelijk bereikbare woonmilieus (de kleinere kernen in de gemeente Schagen zoals Bargerbrug), op de korte termijn een terkort aan het woonmilieu dorps (zoals bijvoorbeeld Warmenhuizen) en op de lange termijn een overmaat aan dorpse woonmilieus.

Conclusie
Voor de realisatie van de recreatiewoningen geldt dat er sprake is van meer behoefte aan ruimte, kwaliteit en luxe. De te ontwikkelen recreatiewoningen sluiten aan bij deze trends. Voor de realisatie van de twee vrijstaande en vier twee-onder-een-kap woningen geldt dat deze passen binnen het regionale woningbouwprogramma.

3.3.5 Reisgids voor ruimteljke kwaliteit

Met de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit wil de gemeente Schagen initiatiefnemers de ruimte bieden om zelf verantwoordelijk te zijn voor de manier waarop zij hun bouwplannen willen inpassen in de omgeving. In heel de gemeente wordt gestreeft naar behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. In de reisgids wordt per deelgebied een beschrijving gegeven van gebiedsgerichte criteria. Daarnaast zijn een aantal algemene regels opgenomen over veel voorkomende bouwplannen, en bijzondere gebouwen, complexen en ontwikkelingen. De reisgids vervangt de oude Welstandsnota.

3.3.6 Nota parkeernormen Schagen 2016

De Nota Parkeernormen Schagen 2016 (hierna: nota) heeft als doel om de toepassing van de parkeernormen inzichtelijk te maken. Bij burgers, bedrijven en ontwikkelaars moet helder zijn hoe zij bij nieuwe ontwikkelingen invulling kunnen geven aan het onderdeel parkeren. Ook juridisch dient de invulling van de parkeernormen gewaarborgd te zijn.

De nota is van toepassing op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Schagen, daar waar het betreft nieuwbouw, verbouw uitbreiding of wijziging van een functie. De nota is niet van toepassing op bestaande situaties.

In paragraaf 4.8.1 is de nota toegepast voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor voorliggend bestemmingsplan. De nota is van toepassing verklaard in artikel 11 van de planregels zodat zij bij de verlening van de omgevingsvergunningen en het gebruik van de gronden kunnen worden afgedwongen.

3.4 Conclusie

In de voorgaande paragrafen is aangetoond dat de ontwikkeling passend is binnen het rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

4.1 Erfgoed

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.1.1 Archeologie

Voor de voormalige gemeente Harenkarspel is de 'Beleidsnota cultuurhistorie gemeente Harenkarspel' opgesteld. Bij de beleidsnota behoort een beleidskaart met verschillende archeologische regimes (zie afbeelding 5). Dit houdt in dat voor de verschillende deelgebieden een minimale oppervlakte is bepaald wanneer er nagegaan moet worden of er archeologische waarden geschaad zouden kunnen worden als gevolg van werkzaamheden of de bouw van bouwwerken.

Het plangebied is aangeduid met nummer 'HKRS123'. Voor dit gebied, dat valt onder de categorie 'Historische dorpskernen', is een gerede kans aanwezig dat archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Bij ingrepen in de bodem van 100 m² of meer, of dieper dan 35 cm, zal een archeologisch onderzoek uitsluitsel moeten geven. Daarnaast is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen om dit te borgen. Gezien de grootte van het plangebied en de aard van de ingreep, is in principe een archeologisch onderzoek nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0005.png"

Figuur 5. Archeologische beleidskaart Harenkaspel

Op basis van het voorgaande heeft de gemeente Schagen Archeologie West-Friesland gevraagd een archeologische Quickscan uit te voeren. Hieruit is naar voren gekomen dat de begrenzing van de historische dorpskern van Schoorldam niet correct is weergegeven. De historische kern bevindt zich ten zuiden van de Kanaalweg.

Voor een kleine zone langs de Westfriese dijk wordt, op basis van historisch kaartmateriaal, een huisplaats uit de 17de eeuw verwacht. Voor deze zone dient de vrijstellingsgrens van 100 m2 te worden gehandhaafd. Voor het overige plangebied geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd (vertaald naar een vrijstellingsgrens van 500 m2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0006.png"

Figuur 6. Aangepaste beleidskaart plangebied

In de onderhavige situatie is sprake van een bedrijfsterrein met bebouwing. De betreffende gronden zijn als gevolg van dit gebruik al ernstig geroerd. Uit het advies van Archeologie West-Friesland blijkt dat de beoogde plannen vrijgesteld zijn van nader onderzoek omdat de vrijstellingsgrens van 500 m2 niet wordt overschreden en de ingrepen niet beoogd zijn op de locaties waar een onderzoeksverplichting geldt bij alle grondroerende werkzaamheden en vanaf 100 m2. Voor toekomstige grotere ingrepen dan 500 m2 geldt wel een onderzoeksplicht. Met die reden blijven de dubbelbestemmingen archeologie in het plangebied van kracht en dient bij nieuwe ontwikkelingen het aspect archeologie opnieuw te worden afgewogen. Bij het afgeven van omgevingsvergunning bouwen wordt Archeologie West-Friesland met de dubbelbestemming in de gelegenheid gesteld om bij graafwerkzaamheden te monitoren.

4.1.2 Cultuurhistorie

Op de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is het plangebied en de omgeving aangeduid als onderdeel van het oude zeekleilandschap. Dit type landschap is ontstaan door toedoen van de zeeën en de daarmee verband houdende wadvlakten doorsneden door kreken. Vanaf 5000 jaar geleden is opslibbing van zand en klei uit zeeën in gang gezet. Nadien heeft zich hier door natuurlijke processen veen afgezet. Dit veen is later door inklinking en oxidatie ingeklonken. Het landschap heeft echter de verschijningsvorm van het veenlandschap omdat het in die tijd is ontgonnen. Langgerekte lintdorpen passen bijvoorbeeld bij dit landschap.

De waterlopen rondom het plangebied en de Westfriese Omringdijk zijn als waardevolle elementen op de kaart opgenomen. Voor het overige worden op de provinciale informatiekaart voor het plangebied geen bijzonderheden gemeld wat betreft archeologie en cultuurhistorie. Met het planvoornemen vindt geen aantasting van de omliggende waterlopen plaats.

Conclusie
Met het planvoornemen worden geen onderkende cultuurhistorische of archeologische waarden verstoord. Het planvoornemen mag dan dan ook uitvoerbaar worden geacht.

4.2 Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van B en W en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.

Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of er voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of er beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen. Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen.

Door Grondslag is een verkennend bodemonderzoek in het plangebied uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 3 opgenomen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat in het plangebied geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem dan ook uitvoerbaar.

4.3 Ecologie

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 19 januari 2018 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De ecologische inventarisatie is als bijlage bijgevoegd.

Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

TOETSING
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen in gebruik zijnde nesten van vogels worden verstoord of vernietigd, dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Wanneer de rij populieren ten oosten van het tuincentrum worden gekapt, kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in twee bomen verloren gaan. Indien de betreffende bomen daadwerkelijk worden gekapt, is nader onderzoek naar vleermuizen nodig om te bepalen of vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn.

Op basis van dit nader onderzoek kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is.

Als gevolg van de ontwikkelingen verandert het plangebied voor vleermuizen, wezel en hermelijn, maar zal niet ongeschikt worden als foerageergebied. De nieuwe woningen worden aangelegd op de locatie van het tuincentrum en in een soortenarm Engels raaigrasgazon. De bebouwingsdichtheid neemt niet sterk toe en bovendien worden houtsingels ingepast en blijft de westzijde van het plangebied volledig onbebouwd. Verder is in de omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig.

Indien rugstreeppad zich vestigt in het plangebied, moeten de werkzaamheden worden stilgelegd. Aanbevolen wordt om vestiging van rugstreeppad tijdens de uitvoering van de plannen te voorkomen. Dit kan door ervoor te zorgen dat bij graafwerkzaamheden geen ondiepe plassen ontstaan die kunnen dienen als voortplantingswater voor rugstreeppad. Als alternatief kan tijdens de werkzaamheden een amfibieënscherm om een bouwplaats aangebracht worden, zodat rugstreeppad geen toegang heeft tot het plangebied.

Tot slot kunnen als gevolg van het plan enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Holland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.

TOETSING
Het plangebied ligt op een afstand van 1,7 kilometer ten oosten van het dichtstbijzijnde in het kader van de Wnb beschermde gebied, te weten Natura 2000-gebied Schoorlse duinen. Op een afstand van ruim 700 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een gebied dat is aangewezen als NNN. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op een afstand van ongeveer 2,8 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de terreinomstandigheden, de afstand tot het beschermde gebieden en de aard van de ontwikkeling, worden met betrekking tot het voorgenomen plan geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, NNN en weidevogelleefgebied verwacht.

Potentiële effecten op het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen blijven beperkt tot externe werking doordat het plangebied buiten dit Natura 2000-gebied ligt. De aangewezen habitattypen zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Gezien de relatief kleine afstand tot het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten door stikstofdepositie niet op voorhand uitgesloten. Daarom is een Aeriusberekening uitgevoerd om een eventuele toename van stikstofdepositie in kaart te brengen. Uit de Aerius-berekening komt naar voren dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden (zie bijlage 5).

Deze inventarisatie geeft daarom geen aanleiding voor een voortoets in het kader van de Wnb en de ontwikkelingen zijn niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

Conclusie
Inmiddels, na gereedkomen en levering van de ecologische inventarisatie, zijn de bomen in het plangebied gekapt en is het advies om aanvullend onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen niet meer relevant. Op basis van de overige uitkomsten van het ecologisch onderzoek is een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.

Uit de inventarisatie komt naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Geadviseerd wordt om vestiging van rugstreeppad tijdens de uitvoering van het plan te voorkomen door het ontstaan van ondiepe, snel opwarmende wateren tijdens de aanlegfase te voorkomen.

Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden en het groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon, dan wel deel uitmakend van een groep.

De provincie Noord-Holland heeft een risicokaart vervaardigd, waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart van de provincie Noord-Holland geraadpleegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0441.BPLHGDENIJS-ON01_0007.jpg"

Figuur 6. Fragment risicokaart, plangebied met zwart kader weergegeven (bron:Risicokaart.nl) 

Van de risicokaart valt af te lezen dat in de nabijheid van het plangebied de volgende risicobronnen gesitueerd zijn:

  • Op ongeveer 250 m ten westen van het plangebied bevindt zich een locatie waar vuurwerk opgeslagen wordt. Deze locatie heeft echter geen risicocontouren die buiten de inrichting vallen.
  • De N504 (Kanaalweg/Westfriesedijk) is ten zuiden van het plangebied gelegen en is aangeduid als potentieel risico in verband met ongevallen op de weg. De afstand tussen het plangebied en de N504 is ruim 30 meter. Aangezien er voldoende ruimte is tussen de weg en de beoogde woningen is er geen sprake van een verhoogd risico in het plangebied.
  • De N9 is op een afstand van circa 280 meter ten westen van het plangebied gelegen. Dit betreft een Basisnet weg. Voor deze weg is geen PR en GR plafond vastgesteld. Daarnaast is er geen plasbrandaandachtsgebied.
  • Ten westen van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen. Het betreffen de AM-2142-3 en A-637-KR-027.

Provinciale weg N9
Over de provinciale weg N9 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats en maakt onderdeel uit van het Basisnet.

PLAATSGEBONDEN RISICO
De weg beschikt niet over een PR 10-6 risicontour. Het planvoornemen wordt dan ook net gehinderd door de aanwezigheid van een plaatsgebonden risicocontour.

GROEPSRISICO
Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden maar slechts oriënterende waarden. Bij een toename van het groepsrisico moet ten opzichte van de oriëntatiewaarde gekeken worden naar alternatieven, zoals de rol van de brandweer en dergelijke.

Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de N9 is het Bevt van toepassing. Wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 m van een transportroute gelegen is, dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten:

  • dichtheid van personen en de verwachte veranderingen;
  • hoogte van het groepsrisico;
  • maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte);
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Er is echter sprake van een uitzondering wanneer:

  • het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde;
  • het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De afstand van het bebouwingsgebied tot de as van de weg is circa 280 m en ligt hiermee niet in het invloedsgebied. Nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

Aardgastransportleiding
Voor aardgastransportleidingen is het Bevb van toepassing.

PLAATSGEBONDEN RISICO
Voor het plaatsgebonden risico PR 10-6 geldt over het algemeen dat de risicocontour binnen de belemmeringenstrook van 6 m breedte ter weerszijden van het hart van de buisleiding blijft. Het planvoornemen wordt dan ook niet gehinderd door de aanwezigheid van een plaatsgebonden risicocontour.

GROEPSRISICO
Aan de hand van de vuistregels in de Handleiding buisleiding in bestemmingsplan (2016) is nagegaan wat het groepsrisico is ten aanzien van het voorliggende plan.

Bij de beoordeling van het groepsrisico is de eerste vraag die beantwoord moet worden of het plangebied is gelegen binnen de 1% letaliteitscontour van de hogedrukaardgastransportleiding. De aardgasleidingen AM-2142-3 en A-637-KR-027 hebben een werkdruk van maximaal 66,20 bar/6.620 kpa, een uitwendige diameter van 914 mm/35,98 inch en een wanddikte van 15 mm/0,59 inch. Bij deze kenmerken van de aardgastransportleidingen hoort een 100% letaliteitszone van 180 meter en een 1% letaliteitszone van 430 meter.

Wanneer het plangebied is gelegen geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen de 1% letaliteitscontour moet het groepsrisico worden berekend. Op basis van die berekening kan worden bepaald of:

  • het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde;
  • het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Wanneer hier sprake van is, of als het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt kan worden overgegaan tot een beperkte verantwoording. Het plangebied is gelegen op meer dan 430 m van de aardgasleiding (circa 435 m) en ligt hiermee buiten de letaliteitscontouren.

Bij een beperkte verantwoording moet nog wel worden ingegaan op:

  • de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;
  • het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, vergeleken met de oriëntatiewaarde.
  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;
  • de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de leiding(en) om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

De gemiddelde bevolkingsdichtheid in rustige woongebieden is 25 personen per ha. Het naastgelegen terrein betreft een recreatiepark, de gemiddelde bevolkingsdichtheid ligt hier veel hoger, tussen de 60 en 200 personen per ha. Voor woningen geldt een gemiddeld aantal personen per woning van 2,4. In het plangebied worden 9 nieuwe woningen gerealiseerd (recreatiewoningen gerekend als volwaardige woningen). Met het planvoornemen zijn hiermee 21,6 extra personen in het gebied aanwezig. Hoewel het planvoornemen wel leidt tot een verhoging van het aantal personen in het plangebied leidt het niet tot een verhoging van het groepsrisico: op grond van het aantal nu al aanwezige personen blijft het groepsrisico lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. De aanwezigheid van de aardgastranportleiding vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het voornemen. Wel is bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van het plangebied relevant. Het plan wordt dan ook ter beoordeling voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.

Conclusie
Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect externe veiligheid.

4.5 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Voor het wegverkeerslawaai is deze norm 48 dB; voor spoorweglawaai bedraagt deze 55 dB en voor industrielawaai is de norm 50 dB(A).

Aangezien in de omgeving van het plangebied verder geen sprake is van spoorweglawaai en geluidzones ten behoeve van industrielawaai, afkomstig van een aangewezen gezoneerd industrieterrein, is hierop verder niet ingegaan.

WEGVERKEERSLAWAAI
In artikel 74 van de Wgh is aangegeven wanneer een weg zoneplichtig is. Elke weg heeft in principe een zone, behoudens wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg binnen of buiten stedelijk gebied. In navolgende tabel is hiervan een overzicht gegeven. Het gebied binnen de bebouwde kom wordt als stedelijk gebied beschouwd.

Tabel 1. Breedte van geluidszones (bron: Wgh)

Aantal rijstroken   Wegligging binnen stedelijk gebied   Wegligging buiten stedelijk gebied  
2   200 m   250 m  
3 of 4   350 m   400 m  
5 of meer   n.v.t.   600 m  

Indien binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd of wanneer reconstructie van weginfrastructuur plaatsvindt met effecten op geluidgevoelige bebouwing, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. De maximale ontheffingsgrenswaarde voor nog te realiseren geluidsgevoelige bebouwing gelegen in buitenstedelijk gebied bedraagt 53 dB. In binnenstedelijk gebied bedraagt deze waarde 63 dB.

Onderzoek
De (recreatie)woningen die middels voorliggend bestemmingsplan planologisch mogeliijk worden gemaakt liggen binnen de geluidzone van de Westfriesedijk, Kanaalweg en toe- en afrit van de N9. Uit het akoestisch onderzoek dat als bijlage is bijgevoegd blijkt dat een zestal te realiseren woningen niet voldoet aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 7 dB vanwege de N504/Kanaalweg.

Om de realisatie van deze woningen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schagen een hogere grenswaarde te verlenen voor alle woningen aan de zuidzijde van het plangebied vanwege de geluidbelasting van de Kanaalweg. De twee woningen gelegen aan de noordoostzijde voldoen aan de Wet geluidhinder. Hoewel de recreatiewoningen ook een hogere geluidbelasting hebben, kan hiervoor geen hogere waarde voor worden aangevraagd.

In het akoestisch onderzoek is gemotiveerd waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Daarbij is getoetst aan de landelijke wetgeving.

Mogelijk zijn voor het verlenen van een hogere waarde wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.

Conclusie
Het planvoornemen kan uitvoerbaar worden geacht voor wat betreft het aspect geluidhinder, mits voor de woningen aan de zuidzijde van het plangebied een hogere grenswaarde wordt vastgesteld.

4.6 Water

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate er gevolgen zijn voor de waterhuishouding. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Op 01-02-2018 is in het kader van de Watertoets het planvoornemen voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De voorlopige reactie van het HHNK is als Bijlage 7 bijgevoegd.

Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de

ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.

Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.

De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden (https://www.hhnk.nl/portaal/keur_41208/).

Compensatie
De verhardingstoename ten gevolge van het plan bedraagt 1.859 m2. Een dusdanige toename van het verharde oppervlak heeft negatieve gevolgen voor het watersysteem. Het hemelwater stroomt versneld af en komt direct tot afvoer. Compensatie in de vorm van waterberging of infiltratie is noodzakelijk om deze negatieve effecten op te heffen. Bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 berekent het hoogheemraadschap aan de hand van diverse plangebiedkenmerken een specifiek compensatiepercentage.

In het aanvullend advies van het Hoogheemraadschap (zie bijlage 8) wordt het volgende over de compensatie aanbevolen.

Op basis van de toegestane peilstijging, gemaalcapaciteit, drooglegging en de grondsoort is berekend dat de benodigde watercompensatie voor dit peilgebied 8% bedraagt. Dit betekent dat tenminste 8% van het extra oppervlak aan verharding (bestrating en bebouwing) dat versneld tot afvoer in het oppervlaktewater komt, gecompenseerd dient te worden in waterberging. Dit is exclusief compensatie voor verharding in tuinen en erven. Voor de toename aan verhard oppervlak en de benodigde compensatie is een watervergunning nodig.

Berekening op basis van de bestaande en de nieuwe situatie laat zien (zie bijlage 9) dat er 1.859 m2 extra verharding en/of bebouwing bij komt. Op basis van de compensatienorm van 8% voor verhard oppervlak moet in het plan minimaal 150 m2 waterberging worden toegevoegd. In het planvoornemen is rekening gehouden met deze watercompensatie. Deze waterberging kan binnen het peilgebied opgelost worden door verbreding van sloten aan het oostelijk deel van het plangebied en nabij het groengebied in het uiterste zuidwesten.

Nieuwe waterpartijen
Het plangebied bevindt zich langs het Noordhollandsch kanaal van waaruit een inlaatvoorziening is aangebracht om het gebied achter de waterkering van oppervlaktewater te voorzien. Op de huidige inrichtingstekeningen is de nieuwe waterpartij over het tracé van de inlaatduiker gepland. Nadere afstemming met het Hoogheemraadschap over de exacte inrichting van van de nieuwe waterpartij heeft plaats gevonden en is akkoord bevonden.

Inrichting watersystemen
In de toekomstige situatie grenzen meer eigenaren aan de aanwezige waterloop. De nieuwe eigenaren zijn voor een gelijk deel onderhoudsplichtig voor het natte en droge onderhoud van de waterloop. Deze partijen dienen op de hoogte te zijn van de onderhoudsverplichting. Om het ondehoud te kunnen uitvoeren moeten de onderhoudsstroken langs de waterloop vrij blijven van bebouwing en bosschages.

Grondwater
Het plan voorziet in het realiseren van nieuwe bebouwing. Het is aannemelijk dat bij het bouwrijp maken van de locatie, bronbemaling zal worden toegepast. Afhankelijk van de te bemalen hoeveelheid is een watervergunning of een melding in het kader van de Waterwet noodzakelijk.

Waterveiligheid
De te ontwikkelen locatie bevindt zich nabij de regionale waterkering van het Noordhollandsch kanaal. Om de waterveiligheid voor nu en in de toekomst te kunnen blijven bieden, gelden er zoneringen rondom de waterkering. Met het planvoornemen vinden enkele werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering plaats. Voor deze keringen geldt dat het aanvragen van een watervergunning noodzakelijk is. Over de exacte werkzaamheden en invulling van het gebied rond de zonering van de waterkering is nadere afstemming met het waterschap noodzakelijk.

Waterkwaliteit en riolering
Binnen het plangebied is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan hierdoor als schoon worden beschouwd. Het advies van het hoogheemraadschap is om een gescheiden stelsel aan te leggen.

Met het oog op de waterkwaliteit wordt verder geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.

Rioolgemaal
Het plangebied bevindt zich in de signaleringszone van een rioolgemaal dat in beheer is bij het hoogheemraadschap. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er zo min mogelijk (geur)overlast wordt ervaren door de aanwezigheid van het rioolgemaal.

Persleiding
Het plangebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet toegestaan om zonder overleg objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals:

  • het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting;
  • het uitvoeren van zware transporten;
  • het opstellen van materieel op het trace van de leiding;
  • de opslag van (zwaar) materieel;
  • het werken aan- en/of realiseren van werken boven het trace van de leiding'
  • het graven of heien nabij de leiding.

Ruimtelijke adaptatie
Geadviseerd wordt om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Het plan, waaronder de realisatie van woningen, bedrijfsgebouwen en de inrichting van de openbare ruimte hier omheen, biedt uitstekende kansen hiertoe. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken.

Conclusie
Afstemming met het Hoogheemraadschap over de watercompensatie heeft plaatsgevonden. Het planvoornemen wordt voor het aspect water uitvoerbaar geacht.

4.7 Hinder van bedrijven

Op plaatsen waar industrie of andere bedrijvigheid is kan hinder voor de omgeving ontstaan. Bij nieuwe ontwikkelingen dient daarom voldoende afstand in acht te worden genomen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) om hinder en onveilige situaties te voorkomen. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, gevaar, stof en geur. Bij deze aspecten neemt de belasting af naarmate de afstand tot de bron groter wordt.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn richtafstanden opgenomen per bedrijfscategorie. Wanneer de afstand tussen een bedrijf en een gevoelig object groter of gelijk is aan de richtafstand die bij de betreffende bedrijfscategorie hoort, is dat een goede aanwijzing dat er geen sprake is van onevenredige bedrijfshinder. De publicatie van de VNG is niet bindend maar is enkel een hulpmiddel. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:

  • 1. rustige woonwijk en rustig buitengebied;
  • 2. gemengd gebied.

De te accepteren milieuhinder hangt samen met de aard van het gebied. In een gemengd gebied (zoals een centrumgebied in een stad) kan wat meer hinder worden geaccepteerd dan in een rustig woongebied.

Onderzoek
Het gebied ten noorden van het plangebied is bestemd als 'Bedrijf'. In de directe nabijheid van het plangebied geldt de bestemming 'Recreatie'. Aan de zuidzijde van het plangebied geldt de bestemming 'Wonen'. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een matige functiemenging en dat het omgevingstype kan worden omschreven als gemengd gebied.

Binnen de regels van het geldende bestemmingsplan is de bedrijvigheid aan de noordzijde begrenst tot bedrijvigheid milieucategorie 2. De bedrijvigheid kan op basis van de VNG-publicatie het beste worden ingedeeld in de categorie 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m2 met SBI-2008 41, 42 en 43. Voor het aspect geluid geldt een grootste richtafstand van 30 meter.

Onderzoek is uitgevoerd naar de geluidsbelasting van deze bedrijvigheid op de te ontwikkelen woningen. De volledige rapportage is te vinden in Bijlage 10. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de geluidsbelasting van de bedrijvigheid voldoet aan de te hanteren normen.

Omdat het hier gaat om een gemengd gebied kan gemotiveerd, aan de hand van het uitgevoerde akoestisch onderzoek, de richtafstand met één afstandstap worden verkleind tot 10 meter. De afstand van de bedrijvigheid tot aan de gevels van de woningen is minimaal 18 meter. Aan de te hanteren richtafstand wordt dan ook voldaan.

Ten zuidoosten van het plangebied is een rioolgemaal van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gelegen. Op basis van de VNG-publicatie worden rioolgemalen ingedeeld in milieucategorie 2. Voor het aspect geur geldt een grootste richtafstand van 30 meter. De afstand van het rioolgemaal tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning is circa 20 meter. Aangezien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandstap worden verlaagd naar 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.

Conclusie
Wat betreft het aspect hinder van bedrijven is het planvoornemen uitvoerbaar.

4.8 Verkeer, parkeren en luchtkwaliteit

4.8.1 Verkeer en parkeren

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2012) van het CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Daarnaast heeft de gemeente Schagen haar eigen parkeerbeleid 'Nota Parkeernormen Schagen 2016'. De parkeernormennota van de gemeente Schagen gaat uit van gemiddelden. Het plangebied kan worden ingedeeld in de categorie 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

Verkeer
HUIDIGE SITUATIE
In de huidige situatie zijn een tuincentrum, en één woning aanwezig. Het tuincentrum kan op basis van de CROW-publicatie worden ingedeeld in de categorie 'groencentrum'. Op basis van deze indeling geldt per 100 m2 bruto vloeroppervlak een verkeersgeneratie van 12 tot 14,5 verkeersbewegingen. Het tuincentrum heeft een oppervlakte van circa 280 m2 en genereert hiermee gemiddeld per etmaal minimaal 36 en maximaal 43,5 verkeerbewegingen. De vrijstaande woning genereert minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. In de huidige situatie is sprake van een verkeersgeneratie van minimaal 43,8 en maximaal 52,1 verkeersbewegingen.

NIEUWE SITUATIE
In de toekomstige situatie zijn drie vrijstaande, drie recreatie en vier twee-onder-een-kap woningen aanwezig. Voor de vrijstaande en recreatiewoningen geldt een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor de twee-onder-een-kap woningen geldt een verkeersgeneratie van 7,4 tot 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor de vrijstaande, recreatie en twee-onder-een-kap woningen komt het totaal aantal verkeersbewegingen op minimaal 76,4 (46,8+29,6) en maximaal 84,4 (51,6+32,8) bewegingen.

TOENAME
Ten opzichte van de huidige situatie, neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie met circa 32 verkeersbewegingen toe. De toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied is niet van een dusdanige orde van grootte dat hierdoor problemen voor de verkeersontwikkeling hoeven te worden verwacht. Daarnaast wordt het plangebied ontsloten door de Kanaalweg en Westfriesedijk, dit zijn allebei doorgaande wegen die berekend zijn op dergelijke hoeveelheden verkeer.

Parkeren
De gemeente Schagen valt onder de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk gebied'. Het plangebied valt verder onder de indeling 'rest bebouwde kom'. Op basis van deze indeling kan per functie worden gekeken naar de parkeernormen. Het planvoornemen moet voorzien in parkeerplaatsen voor de 6 nieuwe woningen, 1 bestaande woning en 3 nieuwe recreatiewoningen. De 8 bestaande parkeerplaatsen in het plangebied die komen te vervallen dienen gecompenseerd te worden.

Op basis van de parkeernormen is de parkeerbehoefte van het planvoornemen 22,8 parkeeerplaats. Deze plaatsen zijn als volgt verdeeld:

  • 3 woningen, koop, vrijstaand 3 x 2,4 = 7,2 parkeerplaatsen;
  • 4 woningen, koop, twee-onder-één-kap 4 x 2,4 = 9,6 parkeerplaatsen;
  • 3 recreatiewoningen 3 x 2,0 = 6,0 parkeerplaatsen;

Met het planvoornemen wordt op elk woonperceel ruimte geboden voor twee parkeerplaatsen. De recreatiewoningen parkeren in de openbare ruimte. In totaal worden 22 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 16 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Hiermee kan ruimschoots worden voldaan aan de parkeerbehoefte van het planvoornemen.

Het aantal ingepaste parkeerplaatsen voldoet hiermee aan de parkeernormen van de gemeente Schagen.

Conclusie
Met betrekking tot verkeer en parkeren mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht.

4.8.2 Luchtkwaliteit

Het plan dient te voldoen aan regels voor luchtkwaliteit. Aangetoond moet worden dat er geen normen worden overschreden. Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer.

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De eerste verlenging liep tot en met 31 december 2016. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft het NSL voor een tweede maal verlengd, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Besluit tweede verlenging NSL is per 1 januari 2017 in werking getreden.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. PM10 en PM2,5 hangen overigens sterk samen. De fractie PM2,5 is onderdeel van het PM10. Wanneer de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet wordt ook aan de PM2,5 normen voldaan.

Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.610 auto's dan wel 130 vrachtwagens per weekdagetmaal (grenswaarde in 2018).

PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

Onderzoek
In het plangebied is een tuincentrum gevestigd, dit tuincentrum zal worden gesloopt. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 3 recreatiewoningen, 6 nieuwe en 1 bestaande woning. In paragraaf 4.8.1 is de verkeerstoename van het planvoornemen inzichtelijk gemaakt. De verkeerstoename blijft ruim onder de grenswaarde voor 2018.

Op basis van dit gegeven kan worden gesteld dat er sprake is van een nibm-project en de luchtkwaliteit niet in het geding is. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9 Duurzaamheid

Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden.

Voor vragen op het gebied van duurzaam (ver)bouwen, energiebesparing of energie opwekken kunnen inwoners en ondernemers van Noord-Holland Noord tegenwoordig bij het Duurzaam Bouwloket terecht. De gemeente Schagen participeert hier in.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelij-ke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro.

Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in:

  • een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven;
  • bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;
  • regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;
  • voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels.

Daarnaast dient een dergelijk plan vergezeld te gaan van een toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten, de uitkomsten van het onderzoek en de uitkomsten van het overleg zijn vermeld.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is de geldende wet- en regelgeving toegepast.

Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro (in werking getreden op 1 januari 2010) moet het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan worden uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart, regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt. Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden:

  • Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012);
  • Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012); -
  • Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (2012).

Het voorliggende bestemmingsplan is zo opgesteld dat het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat:

  • alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012 code hebben;
  • de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML;
  • de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld;
  • de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opgenomen in de Wabo.

Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsverguning ingvoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningstrajecten (zoals bouwvergunning, milieuvergunning, etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een omgevingsvergunning noodzakelijk.

5.2 Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

Voorbereidingsfase
De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen (vaak in de vorm van een voor-ontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op de overleg- en inspraakreacties. De uitkomsten hiervan worden vermeld in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en voor zover noodzakelijk verwerkt in regels en verbeelding.

Terinzageleggingsfase
Na de aankondiging in de Staatscourant en in het digitale Gemeenteblad wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

Vaststellingsfase
Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.

Beroepsfase
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vast-stellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is over-genomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

5.3 Bestemmingen

In deze paragraaf is een korte toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven. Er is voor een zo eenvoudig mogelijke planologische regeling gekozen die voorziet in een helder stelsel van regels en de nodige flexibiliteit biedt. Aan de hand van de bestemmingsregels kan het planvoornemen worden gerealiseerd. In de toekomst kan de gerealiseerde situatie vervolgens worden gehandhaafd.

Hoofdstuk 1: Inleidende regels
BEGRIPPEN
In dit artikel worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012.

WIJZE VAN METEN
De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is voor een belangrijk deel voorgeschreven in de SVBP2012. Deze regels zijn overgenomen in artikel 2 van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welke gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitbepalingen opgenomen. De toekenning van bestemmingen tot een bepaald perceel is gebaseerd op het gewenste gebruik en een verantwoorde inpassing.

Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Groen, Verkeer - Verblijfsgebied, Wonen, Leiding - Riool, Leiding - Water, Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waterstaat - Waterkering.

ARTIKEL 3 - GROEN
In het plangebied zijn de gronden aangewezen voor 'Groen' bestemd voor met name groenvoorzieningen. Daarnaast is binnen deze bestemming ruimte voor de gevraagde watercompensatie.

ARTIKEL 4 - VERKEER - VERBLIJFSGEBIED
In het plangebied zijn de gronden aangewezen voor 'Verkeer - verblijfsvoorzieningen' bestemd voor met name wegen en parkeren. Daarnaast zijn groenvoorzieningen, openbare

nutsvoorzieningen, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.

ARTIKEL 5 - WONEN
Binnen de bestemming 'Wonen' worden de beoogde woningen en recreatiewoningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden-beroep toegestaan.

Het ruimtebeslag van dit aan huis verbonden beroep mag maximaal 30% van de totale begane vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m2 zijn. Hoofdgebouwen dienen binnen een bestemmingsvlak te worden gebouwd waarbij het aantal woningen beperkt is met een aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Voor de recreatiewoningen is een speciale aanduiding opgenomen om zowel de locatie als het aantal te beperken. Daarnaast gelden hier een aantal specifieke bouw- en gebruiksregels. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is niet toegestaan evenals de vestiging van seizoensarbeiders.

ARTIKEL 6 - LEIDING - RIOOL
De in het plangebied aanwezige rioolpersleiding is bestemd als 'Leiding - Riool'. Binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van deze leiding mogen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de rioolpersleiding worden gebouwd. Andere bouwwerken zijn niet toegestaan.

ARTIKEL 7 - LEIDING - WATER
De in het plangebied aangewezen gronden voor 'Leiding - Water' zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor een ondergrondse waterleiding. Binnen een afstand van 3 m aan weerszijden van de hartlijn van de waterleiding ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding – water’ mogen alleen bouwwerken ten behoeve van de waterleiding worden gebouwd. Andere bouwwerken zijn niet toegestaan.

ARTIKEL 8, 9 EN 10 - WAARDE - ARCHEOLOGIE 1, 2 en 3
Deze bestemmingen hebben als doel het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden te beschermen. De verschillende bestemmingen bevatten allemaal een ander streng of minder streng, beschermingsregime.

Hoofdstuk 3: Algemene regels
ANTI-DUBBELTELREGEL
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.

ALGEMENE GEBRUIKSREGELS
In de algemene gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval strijdig is met de in de regels gegeven bestemmingsomschrijvingen.

ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
VERGANGSRECHT
De in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht is opgenomen in deze regels.

In het plan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke in de bestmming begrepen, zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven. Voorliggend bestemmingsplan leidt tot de bouw van (recreatie)woningen en een multifunctionele bedrijfsruimte. Het planvoornemen is derhalve een bouwplan op grond van artikel 6.2.1 Bro.

Doel van een grondexploitatieregeling is het aantonen van de financiële haalbaarheid, het verzekeren van het kostenverhaal en het bieden van aanvullende sturingsmogelijkheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In beide gevallen kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

Het plan wordt door een private partij ontwikkeld. Wat betreft de ontwikkeling is er een anterieure overeenkomst gesloten waarin het verplichte kostenverhaal is afgedekt. De exploitatie ligt geheel in handen van en is voor risico van de ontwikkelende partij. Deze partij draagt alle kosten van de realisatie van het plan.

De kosten voor het voorliggende bestemmingsplan en de daarbij behorende noodzakelijke onderzoeken worden deels door de initiatiefnemer gedragen. De betaling van de kosten die de gemeente heeft gemaakt is verzekerd in de anterieure overeenkomst en/of via leges.

Door het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de betreffende gronden bestaat de mogelijkheid dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1. Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade worden door de initiatiefnemer gedragen. De vergoeding van eventuele planschade is geregeld in de anterieure overeenkomst.

Op basis van deze overwegingen mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat de uitvoering van het voorliggende plan niet door een onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voordat het plan in procedure gaat heeft de initiatiefnemer het plan gecommuniceerd met de (woon)omgeving. Het is tevens voor overleg aangeboden aan de wettelijke overlegpartners ex artikel 3.1.1. Bro. In bijlage 11 is de nota van Inspraak en Overleg opgenomen. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is paragraaf 4.6 van het plan aangevuld. De overige reactie hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.