Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Kerkbuurt 5a Tuitjenhorn
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0441.WPTHNkerkbuurt5a-ON01
Hoofdstuk 1 Inleiding
Aan de Kerkbuurt 5a in Tuitjenhorn staat een verouderde schuur/loods (hierna schuur genoemd) met daarachter twee garageboxen in een vrijstaand bijgebouw. De opstallen zijn gevestigd op een bedrijfsbestemming waarbij de activiteiten op deze locatie inmiddels zijn gestaakt. Perceel en opstallen zijn reeds aangekocht met het doel om hier geen bedrijf voortzetten, maar een plan te ontwikkelen voor de bouw van een woonhuis. Om dit doel te behalen is het noodzakelijk om de bestemming van het perceel te wijzigen naar wonen. Hierdoor wordt het voor de nieuwe eigenaren mogelijk om woonachtig te zijn op het perceel overeenkomstig de voorwaarden in het bestemmingsplan.
 
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Tuitjenhorn’, dat op 25 februari 2014 is vastgesteld door de gemeente Schagen. In de regels van het bestemmingsplan is in artikel 5.6 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn om de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen - 3' met de daarbijbehorende aanduidingen.
 
Middels een conceptaanvraag omgevingsvergunning hebben initiatiefnemers burgemeester en wethouders gevraagd om medewerking te verlenen aan hun plan. Op 29 mei 2019 is er door het college van burgemeester en wethouders positief gereageerd op het voornemen om de bestemming ‘Bedrijf’ te wijzigen naar ‘Wonen’. Een belangrijke voorwaarde is dat de wijziging van bestemming wordt onderbouwd door een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze onderbouwing wordt vertaald in een wijzigingsplan voor het wijzigen van de bestemming.
1.1 Leeswijzer
Dit wijzigingsplan bevat:
  • een beschrijving van het plan waarbij achtereenvolgens wordt gekeken naar de huidige en toekomstige situatie, het ruimtelijk relevante beleid van de gemeente en provincie, de invloed van het plan op de omgeving, de belemmeringen die het plan in de weg kunnen staan en de planologische afweging van het plan;
  • een verbeelding waarop de gewijzigde bestemming is aangegeven;
  • de bouw- en gebruiksregels behorende bij de verbeelding.
 
Hoofdstuk 2 Analyse van het plangebied
2.1 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Kerkbuurt 5a in Tuitjenhorn. De Kerkbuurt ligt in het buurtschap "Kerkbuurt”, vastgebouwd aan het dorp Tuitjenhorn in de gemeente Schagen. Het buurtschap biedt met de landelijke ligging alles wat wonen in Noord-Holland zo aangenaam maakt. Mooi uitzicht, goede bereikbaarheid, een sociale omgeving door de kleinschaligheid en alle soorten voorzieningen in de buurt. De locatie ligt dichtbij de uitvalswegen van het dorp richting de N235 en Schagen.    
 
Het plangebied ligt in een agrarisch gebied dat zich kenmerkt door het regelmatige blok- en strokenpatroon van het landschap. Het agrarisch landschap vormt een ruimtelijke werking die kenmerkende zichtlijnen met zich mee brengt. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het oostelijke deel van Tuitjenhorn, binnen de bestaande lintbebouwing van de Kerkbuurt.
2.2 Karakter van de omgeving
 Kerkbuurt is een buurtschap van Tuitjenhorn. Tuitjenhorn is ontstaan in de 12e eeuw op een hogere in noord-zuid richting lopende kreekrug. Deze was door dijken verbonden met andere dorpen en met de Westfriese Omringdijk. Kerkbuurt was een afzonderlijk gehucht. In de loop der eeuwen breidde de bebouwing zich langs de hoger gelegen wegen uit. Tuitjenhorn ontwikkelde zich veel sterker dan Kerkbuurt. De oudste bebouwing is te vinden langs de oude wegen: Dorpsstraat, Kerkbuurt en Kornuit. Centrumontwikkeling heeft plaatsgevonden langs het centrale deel van de oudste straat, de Dorpsstraat. Tussen 1923 en 1952 is de lintbebouwing ontwikkeld tussen Kerkbuurt en Tuitjenhorn. 
De lintbouwing aan de noordzijde van de Sportlaan gelegen tussen de Terpweg en de Dorpsstraat kenmerkt zich door de kavelrichting die in alle gevallen haaks op de ontsluitingsweg is. Tussen de Terpweg en de Kerkbuurt zijn ook woningen gelegen die parallel aan de ontsluitingsweg lopen. In alle gevallen betreffen het woningen met één bouwlaag en een kap. Op een enkele plek is er een schuur gelegen tussen of achter de lintbebouwing.
Op het plangebied zelf zijn de huidige opstallen omstreeks 1945 gerealiseerd. De bebouwing tegenover het plangebied varieert van bouwjaar omstreeks 1900 tot de nieuwbouw van 9 appartementen op Kerkbuurt 29 tot en met 40. In paragraaf 3.3 wordt de stedenbouwkundige structuur verder toegelicht en voorzien van foto’s waarop de karakteristieken van de verschillende bouwstijlen goed tot uiting komen.
 
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving
3.1 Bestaande situatie
Op het plangebied aan de Kerkbuurt 5a zijn de bestaande opstallen op ongeveer 20 meter afstand van de openbare weg gelegen. De schuur is ingebouwd tussen bestaande woningen. Aan de achterzijde van de schuur staat een vrijstaand bijgebouw met 2 garageboxen en is er uitzicht op landelijk gebied. Rond de schuur en het bijgebouw is verharding aangebracht om bij de schuur en het bijgebouw te komen. De bestaande schuur en garageboxen staan leeg, zijn behoorlijk verouderd en worden in de bestaande situatie niet gebruikt.
3.2 Toekomstig plan
Door de bestemming van het perceel te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ wordt het voor de initiatiefnemers mogelijk om een woning te realiseren conform het voorliggend wijzigingsplan en de bijbehorende bouwregels ‘Wonen-3’. Na vaststelling van het wijzigingsplan worden op het perceel de bestaande opstallen gesloopt waardoor plaats wordt gemaakt voor de bouw van een woonhuis. Op onderstaande verbeelding wordt duidelijk hoe het toekomstig plan wordt ingepast in het plangebied.
  
3.3 Stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing
Tuitjenhorn-Kerkbuurt maakt deel uit van de hoofdkern Tuitjenhorn-Warmenhuizen. In de hoofdkernen worden voorzieningen en woningen gebundeld. De kernen zijn ontstaan op terpen en wallen. De bebouwing staat vrijmoedig gegroepeerd, dicht aan de openbare ruimten en is bescheiden van schaal. Een aantal stolpen en de voorgebieden dragen bij aan de karakteristiek. Tuitjenhorn is van oorsprong een gefragmenteerde lintbebouwing die afwisselend rond een licht slingerende route is gesitueerd tussen Zijbelhuizen, Sportlaan en Koorndijk. De oorspronkelijke bebouwing staat direct aan het openbare gebied vrij dicht opeen en volgt de rooilijn van de weg. De nieuwere bebouwing omvat veelal vrijstaande en half vrijstaande woningen en voorzieningen in twee lagen met een kap in een betrekkelijk compacte vorm. Ze staan op enige afstand van de weg. Een aantal gebouwen heeft een zeer eigen vorm die niet stoort.
 
Door ruilverkaveling in de gemeente Schagen is de oorspronkelijke structuur van het landschap ingrijpend veranderd. Hierdoor is een nieuwe structuur ontstaan met zowel historische als meer recente (moderne) kenmerken en kwaliteiten. Bij de inpassing van ontwikkelingen in het landschap van Schagen is het belangrijk om ter plaatse respectvol om te gaan met de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorisch waardevolle elementen, zo ook langs de Kerkbuurt
 
3.4 Ontwerp uitgangspunten
Het plangebied bevindt zich langs relatief jonge lintbebouwing. De typerende landelijke lint heeft enkele karakteristieke doorkijkjes naar het achterland. De lintbebouwing kent een grote diversiteit aan woningen. Bijna alle bebouwing is vrijstaand en uniek en staat vaak haaks op de weg. De meeste bebouwing heeft een zadeldak dat vaker haaks dan parallel op de ontsluiting staat. Er komen ook andere daken als stolpkap, schilddak en mansardekap voor. De kleuren zijn vaak ingetogen evenals de architectuur van de woningen.
3.5 Stedenbouwkundige uitgangspunten
Als gekeken wordt naar de omliggende kavels kan geconcludeerd worden dat er binnen het (kerk)buurtschap een informeel straatbeeld is, waarbij hoofdgebouwen in een afwisselende rooilijn staan. Aan de noordzijde staat de bebouwing frequenter op de voorste kavelgrens. Bijzonder is de naast de locatie gelegen bebouwing die verder naar achter staat. Het plangebied zelf heeft een andere verhouding en kan daarmee als storend ervaren worden. Door de positionering naar achteren is de bestaande inpassing respectvol, er is vanaf de straat zicht op naastgelegen woonbebouwing.
 
De zijgevelrooilijn dient binnen de (zicht)lijnen tussen de hoekpunten van de bebouwingscontour (zie ook afbeelding in paragraaf 3.2). Door de positionering van dwarsvolume wordt ook een tussenstap/overgang naar het rechterperceel gecreëerd en er ontstaat meer samenhang in het straatbeeld waardoor de open ruimte behouden blijft.
 
3.6 Onderbouwing voorstel bouwvlak
Het voorstel van het bouwvlak heeft een gevelbreedte die aansluiting vindt op die van de hoofdgebouwen binnen het ensemble en is gepositioneerd en zodanig gevormd dat het de bestaande zichtlijnen respecteert. Het bebouwingspercentage vindt aansluiting bij de al aanwezige massa. De verdere vormgeving zal binnen de bestemmingskaders voor ‘Wonen-3’ worden gerealiseerd waarbij de architectuur passend zal zijn bij het straatbeeld. Bovengenoemde uitwerking is een kwalitatief en passende ontwikkeling in het kerkbuurtschap van Tuitjenhorn.
3.7 Verkeer en parkeren
De nieuw te realiseren woning is gelegen aan het lint en wordt direct ontsloten op de Kerkbuurt. Door middel van een oprit vindt parkeren plaats op eigen terrein. Met behulp van een inritconstructie worden de opritten van deze woningen aangesloten op de openbare weg. De bestaande uitrit blijft gehandhaafd en levert vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid of verkeersbelasting geen enkel probleem op. Het zicht op de weg is goed en de uitrit is voldoende breed. Ook is er voldoende ruimte op de Kerkbuurt 5a om twee auto’s op eigen terrein te parkeren.
Hoofdstuk 4 Beleidskader
In het beleidskader wordt getoetst of de plannen passend zijn binnen het vigerend planologisch kader, en binnen het ruimtelijke beleid van de verschillende overheidslagen. Hieronder volgt een overzicht van het van toepassing zijnde beleid. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid. De belangrijkste kaders van het Rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeente Schagen, en de relatie met de beoogde wijziging, worden in dit hoofdstuk kort weergegeven.
4.1 Rijksbeleid
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heeft het rijk de lijnen uitgezet voor haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en infrastructuur. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:
 
  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
 
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Voor alle nationale opgaven worden rijksinstrumenten ingezet, waarbij financiering slechts één van de instrumenten is. Ook decentrale overheden en marktpartijen dragen bij aan de realisatie van nationale opgaven.
 
Conclusie
 
De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Daarmee vormt het rijksbeleid geen belemmering voor dit wijzigingsplan en kan worden geconcludeerd dat een wijziging van de bestemming naar wonen op het perceel Kerkbuurt 5a de nationale belangen niet zal schaden.
 
4.2 Provinciaal beleid
4.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de daarbij behorende invoeringswet is op 1 juli 2008 in werking getreden. De Wro regelt hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en welke bestuurslaag voor deze plannen verantwoordelijk is. Daarnaast regelt de Wro de verhoudingen in het ruimtelijk domein tussen de verschillende overheden en bestuursorganen in Nederland.
 
Op 21 juni 2010 hebben de Provinciale Staten de structuurvisie 2040 Noord-Holland vastgesteld. Deze structuurvisie is op 28 september 2015 voor het laatst gewijzigd vastgesteld. In de structuurvisie geeft de provincie aan welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening in Noord-Holland. Daarmee is het een leidraad voor de manier waarop de ruimte in Noord-Holland de komende dertig jaar zou moeten worden ontwikkeld.
 
Het plan aan de Kerkbuurt 5a bevindt zich binnen een gebied wat door de provincie wordt  aangeduid als een gebied dat geschikt is voor grootschalige land- en tuinbouw.
 
 
In de zone voor grootschalige landbouw ziet de provincie ruimte voor schaalvergroting, structuurverbetering en (mondiaal) concurrerende productielandbouw, de bijbehorende be- en verwerking, handel en distributie en het uitplaatsen van groeiende bedrijven uit stedelijk of kwetsbaar gebied. Voor bollenteelt en glastuinbouw wijst de provincie Noord-Holland clustergebieden aan. Deze gebieden zorgen voor ruimtelijke clustering van bepaalde landbouwsectoren, wat leidt tot economische en landschappelijke voordelen. De toeleverende en uitbestedende bedrijven kunnen zich in de nabijheid vestigen. Dit levert voordelen op voor milieu en logistiek. De reizende bollenkraam en andere grondgebonden teelten behouden de ruimte om een gezonde en duurzame manier van vruchtwisseling in stand te houden en zijn hierdoor een belangrijke drager van de melkveehouderij. De trend naar schaalvergroting en specialisatie zal zich voortzetten vanuit een economisch perspectief. Deze trend brengt ook de behoefte aan grotere bouwpercelen met zich mee.
 
 
Voor de toekomstige vraag naar ruimte, woningen en woonmilieus verwacht de Provincie Noord-Holland dat binnen Bestaand Bebouwd Gebied en de transformatiegebieden voldoende capaciteit beschikbaar is. Wanneer binnen Bestaand Bebouwd Gebied geen mogelijkheden zijn om aan de regionale vraag te voldoen dan moet als eerste worden gekeken naar locaties die multimodaal bereikbaar zijn of dit op korte termijn kunnen worden. Dit is in lijn met de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ van het Rijk, waarin het aantonen van nut en noodzaak van verstedelijking wettelijk verplicht is gesteld. Nieuwe woonmilieus buiten Bestaand Bebouwd Gebied sluiten zoveel mogelijk aan bij de bodemfysieke kwaliteiten, de kwaliteit en identiteit van het landschap en de cultuurhistorie (landschaps- DNA en dorps-DNA), in samenhang met recreatief groen en natuur. Vanwege het bovenlokaal en bovenregionale karakter van de identiteit en kwaliteit van de landschaps- en dorpstypen heeft de Provincie Noord-Holland hierbij een coördinerende rol.
Het bouwen met identiteit op basis van landschap en cultuurhistorie buiten Bestaand Bebouwd Gebied gaat uit van een samenhangende, integrale ontwikkeling en één sluitende financiële constructie. Dit houdt in dat bijvoorbeeld woningbouw, natuur en recreatie in samenhang worden ontworpen, ontwikkeld en gefinancierd. Dit betekent dat plangrenzen zorgvuldig moeten worden vastgesteld met alle betrokken partijen.
 
Nieuwe ontwikkelingen buiten Bestaand Bebouwd Gebied beoordeelt de Provincie Noord-Holland op grond van het aantonen nut en noodzaak, de mogelijkheden of onmogelijkheden voor verdichting of transformatie en de provinciale eisen aan ruimtelijke kwaliteit (onder andere de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie), en op de (on)mogelijkheden van het faciliteren van de ontwikkeling vanuit het watersysteem.
 
Conclusie
 
Het wijzigen van de bestemming op het perceel aan de Kerkbuurt 5a, welke binnen het bestaand stedelijk gebied ligt, past binnen het provinciale beleid. In dit wijzigingsplan wordt aangetoond dat de bouw van een woning ook voldoet aan de provinciale eisen voor ruimtelijke kwaliteit.
 
           
4.2.2 Provinciaal Ruimtelijke Verordening (PRV)
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn de regels waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen in opgenomen. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste wijziging van de PRV is op 14 januari 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze wijziging zijn onder andere de artikelen met betrekking tot Kleinschalige ontwikkeling, Natuurnetwerk Nederland en Strandzonering aangepast. De gewijzigde PRV is op 1 februari 2019 in werking getreden. De PRV schrijft voor waar de inhoud van (gemeentelijke) ruimtelijke plannen, zoals het voorliggende wijzigingsplan, aan moet voldoen. Het gaat hierbij om onderwerpen, in zowel het Landelijk Gebied als het Bestaand Bebouwd Gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een plangebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing.
 
Bestaand Stedelijk Gebied
 
Binnen de PRV wordt onderscheid gemaakt in de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het Bestaand Bebouwd Gebied (BBG) en het landelijk gebied. Nieuwe functies als wonen, bedrijven en kantoren mogen alleen worden gerealiseerd binnen het BBG. In het Landelijk Gebied zijn deze in principe niet toegestaan om onnodige verstedelijking te voorkomen. Het plangebied ligt binnen BBG. In het huidige bestemmingsplan is reeds een stedelijke functie (bedrijf) toegestaan. Dit wijzigingsplan voorziet in de bouw van een nieuwe woning. Binnen BBG is deze stedelijke functie toegestaan. Het ruimtelijk effect van de nieuwe bebouwingsmogelijkheden op woon- en leefklimaat wordt beschreven in hoofdstuk 4.
 
 
Conclusie
 
De kernkwaliteiten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden door de wijziging van de bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’, waardoor de mogelijk ontstaat om een woonhuis te realiseren, niet aangetast. Anders gezegd, met de verwijdering van storende leegstaande bedrijfsbebouwing wordt een bedrijfsbestemming met potentiële overlast weggestemd in een woonwijk waardoor die potentiële overlast zal verminderen. De (her)ontwikkeling van bedrijfsbebouwing naar wonen zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Alles overziend is er dan ook geen strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
 
4.3 Gemeentelijk beleid
4.3.1 Bestemmingsplan Tuitjenhorn
Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Tuitjenhorn’ en de desbetreffende gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Het initiatief, namelijk het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’, is in strijd met het bestemmingsplan omdat het binnen de bestemming niet is toegestaan om een particuliere woning te realiseren.
 
Door de gemeente kan medewerking worden verleend via de wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 5 lid 5.6 onder d van het bestemmingsplan ‘Tuitjenhorn’. Voor de afwijking van het bestemmingsplan is een bestemmingsplanwijziging nodig.
 
Conclusie
 
Om te toetsen of er door de gemeente medewerking wordt verleend middels de wijzigingsbevoegdheid is een conceptaanvraag omgevingsvergunning ingediend. Op 29 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de conceptaanvraag en willen zij in principe medewerking verlenen aan de wijziging van de bestemming ‘Bedrijf’ naar de bestemming ‘Wonen-3’ conform de tekening in paragraaf 3.2 van dit wijzigingsplan. In het voorliggende wijzigingsplan wordt aangetoond dat aan de voorwaarden genoemd in het bestemmingsplan wordt voldaan.
 
4.3.2 Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid
De gemeente Schagen is een unieke combinatie van stad, platteland en kust. Dit mooie karakter dient behouden te blijven en waar mogelijk versterkt. Veranderingen in de gemeente gaan vaak heel geleidelijk. Door kleine bouwinitiatieven en door grotere ontwikkelingen verandert de ruimte voortdurend. Welstandsbeleid is één van de middelen waarmee wordt gestuurd op het uiterlijk van de gemeente. Andere instrumenten zijn bijvoorbeeld het bestemmingsplan en het overig ruimtelijk beleid dat is opgenomen in de eerder vastgestelde Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit.
 
De doelen van de Reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn: het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit, de spelregels voor welstand duidelijk maken en een objectieve, efficiënte
en transparante beoordeling van bouwplannen mogelijk maken. De oude welstandsnota was een samenvoeging van de welstands- nota’s van de voormalige gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe. De maatschappij is inmiddels veranderd en blijft dit doen. Minder regels, meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid worden steeds belangrijker. Het is niet meer de overheid die voornamelijk ‘zorgt voor’, maar ‘zorgt dat’ (Meerjarenvisie 2014-2018 gemeente Schagen). Met de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit zorgt de gemeente ervoor dat initiatiefnemers ruimte krijgen en zelf verantwoordelijk zijn voor de manier waarop zij hun bouwplannen willen laten passen in de omgeving.
  
4.3.3 Welstandsbeleid
Dit gebied bestaat onder andere uit de planmatig gerealiseerde wijken in de kernen van de gemeente Schagen. Komgebieden zijn te vinden in de kernen: Burgerbrug, Callantsoog, Dirkshorn, ‘t Zand, Oudesluis, Schagerbrug, Schagen, Petten, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug, Sint Maarten, Tuitjenhorn, Warmenhuizen en Waarland, maar ook in de kleinere kernen. In de komgebieden zijn net als in de centra drie tijdsperioden te herkennen; vooroorlogse ontwikkelingen direct aansluitend op de historische kernen, na-oorlogse uitbreidingen vanwege de groeiende woningbehoefte en moderne invullingen voor de latere veranderende huisvestingsopgaven. Dit wijzigingsplan richt zich op een kleinschalige herontwikkeling van een bedrijfsbestemming naar wonen in het komgebied. In de komgebieden zijn net als in de centra drie tijdsperioden te  herkennen; vooroorlogse ontwikkelingen direct aansluitend op de historische kernen, na-oorlogse uitbreidingen vanwege de groeiende woningbehoefte en moderne invullingen voor de latere veranderende huisvestingsopgaven.
 
Voor het komgebied geldt een soepel welstandsniveau. Komgebieden zijn zorgvuldig vormgegeven, maar bezitten geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld en daarom gaat het bij bouwplannen vaak om kleine wijzigingen zoals het renoveren of uitbreiden van woningen. Belangrijk is dat typen gebouwen worden gebouwd zoals dat gebruikelijk is voor het gebied. Voor sommige gebieden gelden speciale
beeldkwaliteitsplannen, voor de rest gelden de gebiedsgerichte criteria.
 
Hoofdstuk 5 Planologische randvoorwaarden en milieuaspecten
5.1 Algemeen
Het wijzigingsplan is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging, waarbij ook alle milieuonderwerpen worden meegewogen. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld worden gebracht. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden die voortvloeien uit de milieuaspecten beschreven.
5.2 Milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Hiervoor biedt de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een handreiking voor een verantwoorde inpassing van milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, in de fysieke omgeving of van gevoelige functies, zoals woningen, nabij bedrijven. Voor een breed scala van milieubelastende activiteiten gelden voor de vier ruimtelijke relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en gevaar) richtafstanden. Deze zijn in een richtafstandenlijst opgenomen.
 
De doelen van milieuzonering zijn:
  • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
 
Conclusie
 
In de omgeving van de te realiseren woning zijn geen relevante bedrijven aanwezig. Voor zover er wel bedrijven aanwezig zijn, zijn tussen de bedrijven en de locatie waar de woning zal worden gerealiseerd, andere woningen aanwezig. Deze woningen zijn al maatgevend voor de bedrijven. Zodoende worden de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en kan geconcludeerd worden dat milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van voorgenoemd plan.
 
5.3 Bodemkwaliteit
In het kader van het gestelde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), Woningwet, artikel 2.4 en artikel 2.7 regeling omgevingsrecht, de bouwverordening en als onderdeel van een goede ruimtelijke onderbouwing is een verkennend bodemonderzoek vereist naar de naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij een functiewijziging, in dit geval de wijziging van bedrijf naar wonen, dient te worden beoordeeld of de bodemkwaliteit conform de gestelde eisen is voor de betreffende functiewijziging.
 
Om de bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen en daarmee de realisatie van een woning mogelijk te maken binnen het plangebied is door Bodem Belang BV een verkennend bodemonderzoek (zie bijlage I) uitgevoerd conform NEN 5740 aan de kerkbuurt 5a te Tuitjenhorn. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiëne kwaliteit van de bodem ter plaatse.
 
Uit onderzoek is gebleken dat in de bovengrond lichte verhogingen aan kobalt, kwik, lood en PAK zijn gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan kwik aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het grondwater overschrijden de concentraties aan barium en nikkel de betreffende streefwaarden.
 
Gezien de resultaten kan de hypothese worden bevestigd. De aangetoonde gehalten overschrijden niet de toetsingswaarden voor nader onderzoek. Voor nader onderzoek bestaat geen aanleiding.
 
In verband met de puinhoudende bovengrond en het grote oppervlak aan betonverharding op de locatie, dient een asbest in grondonderzoek conform NEN 5707 te worden uit gevoerd. In verband met de aanwezigheid van opstallen en verharding kan dit onderzoek na sloop en verwijdering hiervan plaats vinden.
 
Conclusie
 
Afgezien van het nog uit te voeren asbestonderzoek, is er vooralsnog wat betreft de kwaliteit van de bodem geen sprake van belemmeringen voor de aanvraag bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw.
 
5.4 Geluid
Geluidshinder kan leiden tot lichamelijke en/of psychische klachten. Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging zijn onder andere de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze wetten bieden onder andere geluidsgevoelige objecten bescherming tegen geluidhinder van bedrijven en bijbehorend verkeer op de openbare weg.
 
Het plangebied is gelegen binnen een zonde langs de verkeersweg. Om die reden dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarden. Voor wegverkeer stelt de wet dat de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden.
 
Door Witteman Geluidbeheersing is een akoestisch onderzoek (zie bijlage II) uitgevoerd ter bepaling van de geluidsbelasting Lden wegverkeerslawaai t.b.v. de bouw van een woning op het perceel Kerkbuurt 5a in Tuitjehorn. Het onderzoek is er op gericht om de toekomstige geluidbelasting (met aftrek 5 dB artikel 110g van de Wgh) als gevolg van het wegverkeerslawaai van de Kerkbuurt, op de gevels van de te bouwen woning vast te stellen en te toetsen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek is het volgende gebleken.
 
De hoogste (toekomstige) geluidbelasting (inclusief de aftrek zoals eerder benoemd) op de uiterste voorgevel van de nieuw te bouwen woning perceel Kerkbuurt 5a, bedraagt Lden = 48 dB voor het prognosejaar 2029. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB wordt niet overschreden. Op de overige beoordelingspunten is de geluidbelasting lager dan Lden 48 dB.
 
Gelet op het voldoen aan de voorkeurswaarde is geen hogere waarde procedure Wet geluidhinder noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplan procedure.
 
Conclusie
 
Aan een benodigde geluidwering van tenminste 20 dB kan bij toepassing van normale bouwvoorschriften conform het bouwbesluit 2012 ruim worden voldaan om een binnenniveau van 33 dB in de geluidsgevoelige ruimte van de woning niet te overschrijden. Geluid (wegverkeerslawaai) vormt derhalve geen belemmering voor de aanvraag bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw
  
5.5 Luchtkwaliteit
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De belangrijkste is de Wet milieubeheer, en dan met name hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen. Verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk hierbij aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging moet worden meegenomen in de afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen moet bij nieuwbouwplannen het aspect luchtkwaliteit worden beschouwd (hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer).
5.5.1 NIBM
De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Er is dan geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig.
 
Dat kan omdat de effecten van NIBM-projecten zijn betrokken bij de berekening van de trendmatige ontwikkeling van de achtergrondconcentraties in Nederland. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) bevat voldoende verbetermaatregelen om deze effecten te compenseren. Leidt een project tot een toename voor NO2 en PM10 die lager is dan de NIBM grens. Dan is het toetsen van het project aan de grenswaarden niet nodig en kan het project zonder verdere maatregelen doorgaan. Wel moet het project voldoen aan het Besluit Gevoelige bestemmingen en er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit NIBM geeft de volgende voorwaarde:
Het project of de activiteit draagt maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is IBM als de toename voor één of beide stoffen hoger is.
 
Vanaf augustus 2009 geldt voor woningbouw een grens van minder of gelijk aan 1500 (netto) woningen bij minimaal één ontsluitingsweg. Uit de NIMB-tool blijkt dat het aantal woningen in dit plan ruim onder de gestelde norm van 1500 blijft. Dit betekent dat een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
 
Overigens worden in het voorgenomen plan de bedrijfsmatige activiteiten beëindigd waarbij er een afname van verkeersbewegingen zal plaatsvinden. De bijdrage aan extra verkeer is dus afnemend. Van een bijdrage van fijnstof/luchtkwaliteit door eventuele toename van verkeer is ‘niet in betekende’ mate. De bewegingen voor de agrarische bedrijfsvoering vallen weg. Voor de woning die er in de plaats wordt gerealiseerd komt er autogebruik voor in de plaats.
 
Conclusie
 
Het plan zal niet voor overschrijdingen van de grenswaarden zorgen en niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Ook is het niet opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit regio Noordvleugel (RSL-NV). Geconcludeerd kan worden dat de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, de uitvoering van het plan voor de bestemmingswijziging en de bouw van een woning niet in de weg staat.
 
5.6 Externe veiligheid
Externe Veiligheid gaat over de risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van (grote hoeveelheden) gevaarlijke stoffen in hun omgeving.
 
Een belangrijk besluit met betrekking tot externe veiligheid is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het doel van dit besluit is om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, vanwege risicovolle bedrijven, tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
 
Ook het vervoeren van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Bij een ongeval kunnen deze gevaarlijke stoffen vrijkomen waardoor er een brand of explosie ontstaat of een gifwolk vrijkomt. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) regelt de ruimtelijke ordening rondom de transportroutes van gevaarlijke stoffen. Hier worden afstanden bepaald tussen transportroutes en gebouwen of woningen.
 
Ten slotte kunnen gevaarlijke stoffen ook via ondergrondse buisleidingen worden vervoerd. Regels ten aanzien hiervan zijn vastgesteld in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. De regels gelden voor de exploitant van buisleidingen en voor het bevoegd gezag.
 
Via Risicokaart (www.risicokaart.nl) kunnen eenvoudig de risico’s in de buurt van het plangebied worden getraceerd. De risicokaart geeft een beeld van risicovolle- en risicogevoelige situaties die in de provincie Noord-Holland bekend zijn. Het betreft risico’s van onder andere de aanwezigheid en transportroutes van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen, overstromingsgevaar, luchtvaartongevallen, tunnelongevallen, locaties met omvangrijke publiekfunctie en natuurbrand.
 
Conclusie
 
De risicokaart laat zien dat dat het plangebied zich niet binnen het invloedsgebied van risicobronnen bevindt. Het plan hoeft niet te worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord waardoor de uitvoering van het plan voor de bestemmingswijziging en de bouw van een woning geen belemmeringen oplevert voor wat betreft de externe veiligheid.
 
5.7 Sloopactiviteit en asbest
Sloopactiviteiten, waarbij naar redelijke inschatting asbest vrijkomt, zijn gebonden aan strenge regelgeving in verband met het gezondheidsrisico. Hiervan is sprake als het (gedeeltelijk) te slopen object vóór 1994 gebouwd is. De te slopen schuren binnen het plangebied zijn van voor 1994 en om die reden is er door Bolier Advies en Sloopbegeleiding B.V. een asbestinventarisatie (zie bijlage III) uitgevoerd.
 
Conclusie
 
Op basis van resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden (onderzoek ter plaatse, analyse van de genomen monsters e.d.) kan worden geconcludeerd, dat er de geen asbesthoudende toepassingen op het geïnventariseerde plangebied aanwezig zijn. Gezien de visuele inspectie en de bemonsterde materialen is er geen redelijk vermoeden tot niet direct waarneembaar asbesthoudend materiaal. Asbest vormt bij de sloop van de bestaande opstallen geen belemmering.
 
5.8 Duurzaamheid
De gemeente Schagen streeft in toenemende mate naar energieneutralen nieuwbouwwoningen, die het eigen gebouwgebonden energieverbruik zelf kunnen opwekken of zelfs nul-op-de-meter woningen waarbij ook het gebruikersgewonden energieverbruik zelf wordt opgewekt.
Op 8 maart 2018 hebben alle gemeenten in Noord-Holland Noord, waaronder ook de gemeente Schagen, daartoe het statement ‘Aardgasloze nieuwbouw Noord-Holland Noord’ ondertekend waarmee zij aangeven om alle nieuwbouwprojecten te realiseren zonder aardgasaansluiting. In het bouwbesluit is is onlangs opgenomen dat per 1 juli 2018 nieuwbouwwoningen geen aardgasaansluiting meer mogen krijgen.
    
Conclusie
 
Voor de nieuwbouw welke wordt omschreven in dit wijzigingsplan wordt gestreefd naar een nul-op-de-meter woning waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van zonne-energie. Uiteraard wordt er aardgasloos gebouwd en zal door de initiatiefnemer bij alle overige duurzaamheidsvraagstukken gebruik maken van het onafhankelijk adviesbureau Duurzaam Bouwloket. Met bovengenoemde duurzaamheidsaspecten wordt voldaan aan zowel het Bouwbesluit als aan het gemeentelijke beleid voor wat betreft duurzaammheid.
5.9 Ecologie
Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden.
 
Om bovengenoemde reden heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan (zie bijlage IV) uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
 
5.9.1 Gebiedenbescherming (Wet natuurbescherming (Wnb) en Provinciaal Ruimtelijke Verordening (PRV))
In hetkader van gebiedenbescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de nabije omgeving. Voor Natura 2000-gebieden geldt een externe werking en voor de PRV-gebieden een indirecte externe werking.
 
Wet natuurbescherming
 
De afstand van het plangebied tot het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Abtskolk & De Putten’ is circa 5,4 kilometer. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring.
 
Stikstof
 
In verband met mogelijke negatieve effecten van stikstofdepositie ten gevolge van de uitvoering van dit plan (bouwen van een nieuwe woning) op Natura 2000-gebieden (Wet natuurbescherming) dient ten gevolge van de recente PAS-uitspraak (29 mei 2019), een beoordeling plaats te vinden. De beoordeling van de stikstofdepositie dient, als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning van het uiteindelijk te bouwen woonhuis, onder meer onderbouwd te worden met een aantal berekeningen.
 
De berekeningen dienen te geschieden met behulp van AERIUS Calculator. Vanaf 16 september 2019 is er een AERIUS Calculator beschikbaar die is aangepast aan de PAS-uitspraak. De berekeningen dienen betrekking te hebben op de bouwfase én de gebruiksfase.
 
De gemeente Schagen vraagt voor kleine projecten (tot 2 woningen gasloos) geen berekening. Dit wijzigingsplan gaat uit van de bouw van 1 woning die gasloos is. Een berekening is niet noodzakelijk. Mocht het initiatief, de bouw van één woning conform dit plan, wijzigen, dient er alsnog een AERIUS berekening te worden uitgevoerd.
 
PRV
 
Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Natuurnetwerk Nederland) ligt op circa 2,5 kilometer, het weidevogelleefgebied ligt op ongeveer 2,8 kilometer en natuurverbindingen op ongeveer 2,4 kilometer. Gezien de aard en afstand van het plan tot deze gebieden worden er geen negatieve effecten verwacht.
 
Houtopstanden
 
Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m2. Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
 
Conclusie
 
Gebiedenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan
 
5.9.2 Soortenbescherming (Wnb)
Op grond van hoofdstuk 3.2.1 t/m 3.2.7 uit de quickscan zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied.
 
 
Tabel 1. Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3).
*Vaste rust- en verblijfplaatsen.
 
De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht.
 
Vogels
 
Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag.
 
Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten
 
Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt.
 
‘Categorie 5’-soorten
 
Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Boerenzwaluw), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
 
Grondgebonden zoogdieren
 
Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
 
Vleermuizen
 
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
 
Als gewerkt wordt conform de hierboven gestelde beperkingen en restricties, worden geen belangrijk negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.
 
Conclusie
 
Het plangebied is voldoende onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna. Bij het uitvoeren van werkzaamheden zullen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.
  
5.10 Spuitzone
Afstandseisen voor spuitzones ten aanzien van woningen of andere gevoelige (verblijfs)bestemmingen zoals tuinen, scholen of sportverenigingen zijn nergens wettelijk vastgelegd. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) op het perceel met een agrarische bestemming, welke grenst aan de noordzijde van het perceel Kerkbuurt 5a, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening als spuitzone een afstand van 50 meter tot aan noordelijk gelegen agrarische perceel moet worden aangehouden. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.
 
In het algemeen wordt in de jurisprudentie aangenomen dat een afstand van 50 meter tussen de gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk is. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en hoge spuitfrequentie intensiever dan bijv. bij bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Door Plant Research International van de Wageningen Universiteit (WUR) is in maart 2015 een uitgebreid onderzoek gedaan naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Onderzocht zijn diverse afstanden binnen 50 meter van de perceelsgrens bij bespuitingen van een boomgaardperceel. De onderbouwing in dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op dit de uitkomsten van dit onderzoek.
 
Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een motiveringsplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Aanvaarding van een kortere afstand kan, blijkens de uitspraken van De Afdeling, bijvoorbeeld gelegen zijn in het feit dat er tussen de percelen afscherming in de vorm van een houtwal of groenhaag aanwezig is.
 
In dit wijzigingsplan wordt een bedrijfsbestemming omgezet naar ‘Wonen’. De kortste afstand tussen de uiterste grens van het (toekomstige) bestemmingsvlak ‘Wonen’ en het daaraan grenzende agrarische bestemmingsvlak is 0 meter. Deze afstand is gezien de in het onderzoek van WUR genoemde veiligheidsafstanden onvoldoende in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het hierna volgende wordt onderbouwd onder welke omstandigheden daarvan wel sprake kan zijn.
 
Uit de praktijksituaties die zijn opgenomen in het onderzoek van de WUR, is bij praktijksituatie 7 sprake van een dubbele haag (niet groenblijvend in de winter). Onder de daar aangegeven omstandigheden is in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat een afstand van 5 meter voldoende. Hierbij dient tevens te worden uitgegaan van 5 meter vanaf de grens van het agrarische perceel tot aan de grens van het bestemmingsvlak die de gevoelige functie mogelijk maakt. Bij praktijksituatie 8 is er sprake van een enkele groene haag die tevens dicht is in de winter. Ook onder de daar aangegeven omstandigheden volstaat een afstand van 5 meter vanaf de grens van het agrarische perceel tot aan de grens van het bestemmingsvlak die de gevoelige functie mogelijk maakt.
 
Zoals eerder is vermeld dient bij de besluitvorming inzake een ruimtelijk besluit te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat de bedrijfsvoering van de teler niet mag worden belemmerd door een woning en dat ter plaatse van de tuinen en de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig dient te zijn. Bij een afstand van 5 meter vanaf het agrarische bestemmingsvlak tot aan de grens van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ blijkt dat bij de toepassing van het meest toxische middel een met een 3 meter hoge, in de winter groenblijvende haag, op de grens van het agrarische perceel, sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet Ruimtelijke Ordening. Bij voornoemde afstand is er sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners en kan de (toekomstige) teler zijn bedrijfsactiviteiten uitvoeren zonder dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.
 
Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd om de eerste 5 meter - gemeten vanaf het agrarische bestemmingsvlak - van het beoogde woonperceel dat bestemd wordt als ‘Wonen’ te wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Dit gedeelte kan dan gebruikt worden als groene bufferzone.
 
Er is op dit moment nog geen haag op de perceelgrens van het beoogde woonperceel aanwezig. De plaatsing van deze haag is nog niet geborgd in de regels van het wijzigingsplan. Vertaald naar het wijzigingsplan betekent dit dat de haag moet worden aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan. Geadviseerd wordt om op de perceelgrens van het gehele woonperceel (ten op zichten van het agrarische perceel) een 3 meter hoge en groene haag aan te planten en in stand te houden. Coniferen zijn hiervoor geschikt, maar dat mag ook een andere dichte boomsoort zijn. De realisatie en de instandhouding van de haag is belangrijk en kan via een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan worden afgedwongen.
 
Om deze voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan te borgen wordt gekozen voor de volgende bestemmingsomschrijving ter plekke van de groene bufferzone:
 
“de planologische omzetting van het perceel met een bedrijfsbestemming naar een perceel met een woonbestemming voor de bouw van een woonhuis is slechts toegestaan indien een in de winter dichte en groenblijvende haag wordt aangebracht en in stand wordt gehouden, met een minimale hoogte van 3 m op de grens van het woonperceel zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding ‘Agrarisch met waarden’.”
 
Op de verbeelding van het bestemmingsplan dient in dat geval ook de situering van de haag te worden ingetekend. Dit wordt gedaan onder een functieaanduiding over de gehele breedte van de perceelgrens waar ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’ elkaar kruisen. De functieaanduiding wordt op de plekinfo dan omschreven als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - windhaag’. Zie voor de verbeelding pagina 10 van dit wijzigingsplan.
 
Conclusie
 
In bovenstaande onderbouwing is voldoende gemotiveerd dat de aanvaarding van een kortere afstand dan 50 meter mogelijk is wanneer een groene bufferzone wordt gerealiseerd van 5 meter vanaf de grens van het agrarische perceel tot aan de grens van het bestemmingsvlak. Tevens dient op de perceelgrens van het gehele woonperceel (ten op zichten van het agrarische perceel) een 3 meter hoge en (winter)groene haag te worden aangeplant (en in stand te worden gehouden). Deze voorwaardelijke verplichtingen dienen in het bestemmingsplan te worden geborgd. Middels deze verplichtingen wordt een veilige afstand gecreëerd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwezenlijken.
  
5.11 Water
De watertoets is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
 
Ruimtelijke plannen
 
De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmings- en wijzigingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Maar ook andere bouwplannen kunnen invloed hebben op het watersysteem. Door middel van het uitvoeren van de watertoets van het HHNK krijgen we inzicht in de waterbelangen in dit project.
 
Welke belangen worden getoetst
 
Het HHNK behartigt belangen op het gebied van waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en in enkele gebieden wegen. Het HHNK adviseert bijvoorbeeld over bouwbeperkingen of aanvullende maatregelen voor plannen langs een dijk. Ook geven zij aan welke compenserende maatregelen nodig zijn bij toename van verharding. Een toename van verharding betekent namelijk dat neerslag versneld wordt afgevoerd van een terrein. Zonder compenserende maatregelen zal de waterhuishoudkundige situatie verslechteren.
 
Watertoets
 
Doordat het plan niet in de nabijheid van waterlopen of waterkeringen is gelegen, is het niet nodig om een watervergunning aan te vragen. Voor het plan Kerkbuurt 5a is advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens (zie bijlage V) die zijn opgegeven is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets.
 
Verharding en compenserende maatregelen
 
Uit de gegevens blijkt dat er geen / slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden.
 
Waterkwaliteit en riolering
 
In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage.
 
Binnen het plan is er geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen.
 
Met het oog op de waterkwaliteit wordt ook door HHNK geadviseerd het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
   
Conclusie
 
Uit bovenstaand onderzoek met betrekking tot de waterhuishouding kan geconcludeerd worden dat er geen beperkingen naar voren zijn gekomen die van invloed zijn op de uitvoering van voorliggend wijzigingsplan.
  
5.12 Cultuurhistorie
Tuitjenhorn, en daarmee het plangebied, ligt in het oude zeekleilandschap van Westfriesland. Het oorspronkelijke veen dat hier lag is vanaf de middeleeuwen ontgonnen. Door inklinking en oxidatie is het veen grotendeels verdwenen en ligt de ondergrond van klei weer aan het oppervlak. Tot in de 20e eeuw bestond het landschap uit onregelmatig verkavelde veenpolders waar lintdorpen als Tuitjenhorn, Warmenhuizen, Dirkshorn, Kalverdijk, Eenigenburg en ook de Kerkbuurt van Tuitjenhorn door heen kronkelden.
 
Tuitjenhorn is in de middeleeuwen als dijkdorp ontstaan doordat meerdere terpen werden verbonden met dijken. Tuitjenhorn en Kerkbuurt vinden hun oorsprong in een terp. Kalverdijk, zoals de naam al aangeeft is ontstaan langs een dijk. De groei van de lintbebouwing van Tuitjenhorn ging met mate, tot in de jaren 50 van de 20e eeuw waren de Dorpsstraat, de huidige Sportlaan, het Kalverdijkerlaantje en de Koorndijk de enige routes door het grillig verkavelde land rondom Tuitjenhorn.
 
Tussen 1950 en 1960 is een groot deel van de omgeving heringericht tijdens een grootschalige ruilverkaveling. De landbouwpercelen werden als rechte, gelijkmatige percelen ingericht en er werden nieuwe, veelal kaarsrechte ontsluitingswegen door het landbouwgebied gelegd.
 
Met de ruilverkaveling begonnen ook de dorpsuitbreidingen. De inrichting van het gebied tussen de Dorpsstraat en de Bogtmanweg vormt daarbij de start. Vanaf de jaren ’70 is Tuitjenhorn vervolgens uitgegroeid tot woonkern door uitbreidingen met woonwijken, bungalow- en sportparken.
 
Momenteel worden bouwontwikkelingen verwacht tussen de Bogtmanweg en de Dorpstraat en aan de noorzijde van de Kalverdijk bij de afslag vanaf de Oostdijk. In het dorp zijn de oorspronkelijke dijkwegen nog steeds de doorgaande route en de drager van de dorpsmorfologie.
 
Conclusie
 
Eerder is in hoofdstuk 3 van dit wijzigingsplan genoemd, dat bij de inpassing van ontwikkelingen in het landschap van Schagen, het belangrijk is om ter plaatse respectvol om te gaan met de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorisch waardevolle elementen. Zo ook langs de Kerkbuurt. Om die reden is het voorgenomen plan (zie afbeelding in hoofdstuk 3.2) voorafgaand aan dit wijzigingsplan ter goedkeuring aangeboden bij de afdeling stedenbouw van de gemeente Schagen. De stedenbouwkundige inpassing van het bouwvlak is akkoord bevonden waardoor er ruimtelijke geen bezwaren zijn vanuit stedenbouwkundig opzicht. Voor wat betreft de uiteindelijk uitwerking van de bouwkundige contouren zal ter zijner tijd de omgevingsvergunning worden voorgelegd aan de welstandscommissie.
 
5.13 Archeologie
Op het perceel aan de Kerkbuurt 5a is een beschermingsregime aanwezig voor archeologische waarden (Waarde-Archeologie 2). Dat betekent dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,35 meter onder het maaiveld door initiatiefnemer een rapport dient te worden overlegt alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. In dit rapport dient te worden opgenomen:
 
- de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
- in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
 
Het is de bedoeling om de opstallen met bedrijfsbestemming te slopen en de bestemming van het perceel te wijzigen naar wonen. Op de verbeelding staat de locatie van het nieuwbouwhuis aangegeven. De ondergrondse sloop van de opstallen kunnen de aanwezige archeologische waarden verstoren. Tevens kan ook de nieuwbouw de ondergrond verstoren.
 
Conclusie
 
Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen: de bodem niet verstoren. Een archeologie-vriendelijk bouwplan is onderdeel van de omgevingsvergunning en dient te worden goedgekeurd door de gemeente.
 
Ligt het in de planning om één of meerdere bodemverstorende werkzaamheden tijdens de bouw van het project uit te voeren, dan wordt het bouwproject als niet archeologie-vriendelijk geclassificeerd en dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
 
5.14 Ondergrondse- en bovengrondse beletsels
Binnen het plangebied zijn alleen de bekende (huis)aansluitingen (gas, water, elektra, data) ten behoeve van de bestaande bebouwing aanwezig. Binnen onze onderzoeksmogelijkheden zijn de aanwezigheid van eventuele hoofdtransportleidingen niet bekend. De grondroerder (sloopaannemer) dient voorafgaand van de graafwerkzaamheden een Klic-melding uit te voeren.
Bovengronds bevinden zich twee bomen aan de voorzijde van de woning aan de Kerkbuurt 5, deze dienen behouden te blijven en er dient rekening mee gehouden te worden tijdens de uitvoer van de bouw- en sloopwerkzaamheden. Overige ondergrondse beletsels zijn niet bekend.
 
Conclusie
 
Rekeninghoudend met bovengenoemde beletsels zijn er verder geen beperkingen op de beoogde locatie van toepassing die de ruimtelijke ontwikkeling van een vrijstaand woonhuis zoals omschreven in dit wijzigingsplan in de weg staan.
  
Hoofdstuk 6 Juridisch kader
Het juridisch kader geeft de juridische samenstelling van de regels en de verbeelding van het wijzigingsplan Kerkbuurt 5a in Tuitjenhorn weer. Dit wijzigingsplan is tot stand gekomen door het verlenen van medewerking via de opgenomen wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 5.6 onder d van het bestemmingsplan ‘Tuitjenhorn’.
 
Bij nieuwe ontwikkelingen die nog niet geheel duidelijk zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan kan gekozen worden voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan. Deze wijzigingsbevoegdheid mag geen structurele wijzigingen van het bestemmingsplan mogelijk maken. De onderliggende bestemming blijft gelden tot van de wijziging gebruik is gemaakt. De wijzigingsbevoegdheid wordt via het moederplan aan burgemeester en wethouders gegeven. Voor het opstellen van een wijzigingsplan geldt de uniforme voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen 8 weken na afloop van de ter inzage legging een besluit moeten nemen. Daarna volgt beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het wijzigingsplan gaat deel uit maken van het bestemmingsplan (moederplan). Met de wijziging van de bestemming vervalt de onderliggende bestemming uit het moederplan.
 
Het wijzigingsplan bestaat uit drie onderdelen:
 
  • Toelichting
  • Verbeelding
  • Regels
 
De verbeelding en regels zijn het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan en vormen de toetsingsgrond voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Wanneer de aanvraag past binnen het bestemmingsplan en voldoet aan de overige toetsingsgronden, kan de omgevingsvergunning direct worden verleend middels een reguliere procedure.
 
De toelichting vormt de goede ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan, welke niet bindend is. In de toelichting wordt ingegaan op het doel van het bestemmingsplan, het relevante beleid, een beschrijving van het plangebied en de planontwikkeling, de relevante omgevingsaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, flora en fauna, water, archeologie, etc.) en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ook bevat de toelichting een uitleg van de regels.
 
6.1 Doelstelling
Voor de afwijking van het bestemmingsplan is een wijzigingsplan nodig. Een wijzigingsplan is het resultaat van een wijzigingsbevoegdheid uit een bestemmingsplan. Het voorliggende wijzigingsplan maakt het mogelijk om de bestemming ‘bedrijf’ op het perceel Kerkbuurt 5a in Tuitjenhorn te wijzigen naar ‘wonen’ om een vrijstaand woonhuis te realiseren. Dit wijzigingsplan vervangt het bestemmingsplan ‘Tuitjenhorn’ op de betreffende locatie.
6.2 Verbeelding en bestemmingsplanregels
De verbeelding geeft de bestemming(en) van de gronden aan. De verbeelding moet, net als de bestemmingsplanregels, voldoen aan de landelijke standaarden (SVBP). In deze standaarden zijn afspraken vastgelegd over standaardbestemmingen en de weergave van bestemmingen en aanduidingen (zoals kleurgebruik, lijnen/vlakken, etc.).Tevens wordt met functieaanduidingen de gebruiksmogelijkheden nader gespecificeerd. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden zijn van de gronden met de bestemming.
 
De structuur van de regels van bestemmingsplannen moet voldoen aan de landelijke standaarden: SVBP (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen). Hierin is een standaardopzet voor de regels bepaald:
 
  • Hoofdstuk 1 Inleidende regels
  • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
  • Hoofdstuk 3 Algemene regels
  • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
 
Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven wat de specifieke invulling van de bestemmingen op de verbeelding voor dit plan precies inhouden. Er wordt aangegeven welke functies (doeleinden) zijn toegestaan, in dit specifieke wijzigingsplan is de bestemming ‘Wonen’ en ‘Waarde - Archeologie 2’ aanwezig. Verder wordt er aangegeven of er gebouwd mag worden en als dit het geval is tot welke bouwhoogte en met welke oppervlakte of bebouwingspercentage. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels die gelden voor alle bestemmingen uit het plan. Hierin zijn algemene gebruiksregels opgenomen. Afwijkingsregels die specifiek gelden voor een bepaalde bestemming worden onder het desbetreffende artikel in hoofdstuk 2 opgenomen. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. Dit hoofdstuk kenmerkt zich onder andere met bepalingen hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor functies die aanwezig zijn welke niet in overeenstemming zijn met het plan. De slotbepaling geeft de naam (Kerkbuurt 5a Tuitjenhorn) en de datum van het wijzigingsplan aan.
 
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn in afdeling 6.4 Grondexploitatie bepalingen opgenomen gericht op het verhalen van kosten door de overheid op particuliere initiatiefnemers. Hierdoor is het voor de gemeente mogelijk om afspraken over kostenverhaal af te dwingen binnen de limitatieve bepalingen van de kostensoortenlijst (art. 6.2.3 t/m 6.2.6 Bro) zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
 
Voor onderhavig wijzigingsplan is een grondexploitatieplan niet aan de orde. In plaats daarvan is tussen initiatiefnemer en de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Een anterieure overeenkomst heeft tot doel het vastleggen van afspraken tussen een gemeente en een particuliere partij (initiatiefnemer) over het ontwikkelen (bebouwen) van een bepaald perceel. Het perceel is in eigendom bij de private partij en die wil voor eigen rekening en risico ontwikkelen. Een anterieure overeenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst, waarin de exploitant zich verplicht tot het betalen van een bijdrage in de kosten (bijvoorbeeld kosten voor de aanleg van wegen of openbare voorzieningen, kosten voor aanpassing bestemmingsplan, e.d.) die door de gemeente gemaakt moeten worden om de grondexploitatie mogelijk te maken.
 
Het opstellen van dit wijzigingsplan brengt het risico met zich mee dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1. Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. In de anterieure overeenkomst wordt ook bepaald dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
 
Hoofdstuk 8 Maatschappelijke haalbaarheid
8.1 Participatie
Er is met de direct omwonenden van het plangebied gesproken. Naar aanleiding van deze gesprekken is gebleken dat er voldoende draagvlak voor het initiatief is. Ingevolge het participatiebeleid wordt aan ingezetenen en belanghebbenden de gelegenheid geboden hun mening inzake het voorliggende wijzigingsplan kenbaar te maken. Het ontwerp wijzigingsplan wordt daartoe gedurende een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode kan een ieder een zienswijze op het plan naar voren brengen.
8.2 Overleg
Het ontwerp wijzigingsplan wordt in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de wettelijk aangewezen overleginstanties.